De afgelopen tijd passeerden meerdere belangwekkende uitspraken over de toepassing van het verschoningsrecht de revue. Dat de strafrechtspraktijk worstelt met een juiste en consistente toepassing daarvan, blijkt daaruit onmiskenbaar. Men zou wel kunnen stellen dat het verschoningsrecht ‘piept en kraakt’. De waarborgen die worden gesteld rondom handelingen ten aanzien van verschoningsgerechtigde stukken, zoals “filteren”, “uitgrijzen” en “weglakken” blijken nog veelal onvoldoende.
Ook in de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 3 maart 2026 (publ.: 8 april 2026) werd een nadere filtering van verschoningsgerechtigd materiaal bevolen, waarmee impliciet wordt erkend dat de eerdere afbakening van het verschoningsrecht ontoereikend was.[1]
Het ging in deze zaak om een strafrechtelijk onderzoek, waarin de betrokken notaris en zijn kantoor (hierna: klagers) werden verdacht van onder meer het niet melden van ongebruikelijke transacties in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), alsmede van (schuld)witwassen. Die verdenking behelsde onder meer dat klagers ervan werden verdacht het opmaken van hypotheek- en leveringsakten te hebben gefaciliteerd, waarbij de herkomst van de geldstromen van personen met criminele antecedenten werd verhuld.
Tijdens het onderzoek is onder de verdachte een iPhone in beslag genomen. Na een eerste scan werd geconstateerd dat in de contactenlijst meerdere geheimhouders voorkwamen. De officier van justitie heeft daarop per e-mail aan de rechter-commissaris verzocht om de veiliggestelde gegevens van de telefoon te laten onderzoeken op verschoningsgerechtigd materiaal. Op de telefoon zijn 2495 sporen aangetroffen die onder het verschoningsrecht van de notaris vallen. De rechter-commissaris heeft beslist dat de inbeslagneming was toegestaan en dat de officier mocht kennisnemen van de sporen waarop (mogelijk) het verschoningsrecht van toepassing was. Namens klagers is vervolgens een klaagschrift ingediend op de voet van artikel 98, vierde lid, jo. 552a Sv.
Doorbreking van het verschoningsrecht: hoge drempel, zware motiveringseisen
Het verschoningsrecht is niet absoluut en kan worden doorbroken indien zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren. Dit is eveneens de vraag die in de onderhavige uitspraak aan de rechtbank voorlag.
De rechtbank stelt het klassieke kader voorop. Het oordeel ten aanzien van welke stukken onder het verschoningsrecht vallen, komt in beginsel toe aan de verschoningsgerechtigde. Dat standpunt dient door politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voorts haalt de rechtbank aan dat doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris (c.q. verschoningsgerechtigde) zonder diens toestemming mogelijk is als het gaat om stukken die voorwerp zijn van het strafbare feit of tot het begaan daarvan hebben gediend. Daarnaast kan ook zonder toestemming worden doorzocht indien de doorzoeking is gericht op stukken die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, waarbij als maatstaf geldt dat de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.[2]
Voor het aannemen van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden gelden zware motiveringseisen[3]. Daarbij komt betekenis toe aan[4]:
- de aard en de ernst van het vermoedelijk gepleegde strafbare feit;
- de aard en de inhoud van het verschoningsgerechtigd materiaal in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend;
- de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken;
- de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.
De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit. De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat zich dergelijke ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ voordoen. Het betreft een ernstige verdenking, waarbij de bijzondere positie van de notaris zou zijn misbruikt en het in hem gestelde maatschappelijk vertrouwen ernstig zou zijn geschaad. De relevante sporen kunnen, vanwege het gebruikmaken van zeer specifieke zoektermen, geacht worden in een zodanig direct verband te staan met de dubieuze transacties dat zij konden dienen om de waarheid daarover aan het licht te brengen. Het was tevens niet aannemelijk dat op een minder ingrijpende manier de waarheid aan het licht kon komen.
Doorbreking vergt zorgvuldige filtering
Dat het verschoningsrecht in een uitzonderlijk geval kan wijken voor het belang van de waarheidsvinding, betekent echter niet dat de doorbreking onbegrensd is. Integendeel: ook dan mag de inbreuk niet verder reiken dan strikt noodzakelijk.
Tegen die achtergrond stelt de rechtbank toch paal en perk aan de beslissing van de rechter-commissaris in de onderhavige zaak. Als de beslissing van de rechter-commissaris in de huidige vorm wordt gehandhaafd zullen veel gegevens van cliënten, die niets met de verweten feiten van doen hebben, aan het onderzoeksteam worden verstrekt terwijl de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is. Bovendien dient zorg te worden betracht om te voorkomen dat belangen van andere cliënten dan cliënten die betrokken zijn bij een strafbaar feit onevenredig worden getroffen. Uit de beslissing van de rechter-commissaris blijkt volgens de rechtbank niet dat de zorg is betracht om dit te voorkomen.[5] Klagers stellen dat onder de sporen ook gegevens zitten van cliënten die niets met de strafzaak te maken hebben. De rechtbank is van oordeel dat daarom een nadere filtering ten aanzien van die gegevens dient plaats te vinden door de rechter-commissaris.
Uitgrijzen en weglakken: een terugkerend knelpunt
De onzorgvuldige wijze waarop in de praktijk met het verschoningsrecht wordt omgesprongen, blijkt steeds weer een hardnekkig struikelblok.
Dit roept een andere zaak van afgelopen jaar in herinnering[6], waarin geheimhoudersinformatie ontoegankelijk werd gemaakt door middel van ‘uitgrijzen’. In deze zaak was de beveiliging die tegen kennisneming van de verschoningsgerechtigde gegevens is aangebracht – het uitgrijzen – ongedaan gemaakt. De rechtbank oordeelde daarom dat het uitgrijzen van de geheimhoudersgegevens in deze zaak niet gelijkgesteld kon worden aan het vernietigen daarvan. De Hoge Raad achtte dit oordeel evenwel niet toereikend gemotiveerd en casseerde. De rechtbank had slechts overwogen dat ontgrijzen automatisch gebeurt als het containerbestand wordt losgekoppeld en opnieuw wordt ingeladen in een andere onderzoeksomgeving, waarbij geen vaststellingen zijn gedaan over de vraag wélke (al dan niet bij het opsporingsonderzoek betrokken) personen deze handelingen dan konden verrichten. De Hoge Raad heeft in dat verband benadrukt dat de gekozen werkwijze zodanig moet zijn ingericht dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.
Daarvoor achtte de Hoge Raad van belang dat voldoende nauwkeurig verslag wordt gedaan in een proces-verbaal, waarin tevens inzicht wordt gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat bij het opsporingsonderzoek betrokken personen op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens. Het oordeel komt erop neer dat het ontoegankelijk maken (‘uitgrijzen’) van geheimhoudersgegevens onder omstandigheden kan volstaan, mits gewaarborgd is dat deze gegevens niet kenbaar zijn (of worden) en geen rol spelen in het strafproces. Daarmee verschuift de focus van fysieke verwijdering naar technische beheersing. Juist deze verschuiving roept echter vragen op over de feitelijke betrouwbaarheid van dergelijke waarborgen, zoals ook in die zaak naar voren kwam.
Conclusie
De recente jurisprudentie laat zien dat de effectieve waarborging van het verschoningsrecht in de praktijk balanceert op een dun koord.
Enerzijds bestaat – met name bij verdenking van ernstige strafbare feiten – ruimte voor doorbreking van het verschoningsrecht. Anderzijds worden er scherpe eisen gesteld aan de wijze waarop die doorbreking (c.q. het verschoningsrecht) wordt vormgegeven. Vooral met die vormgeving blijkt de strafrechtspraktijk te worstelen. Of het nu gaat om filteren, weglakken of uitgrijzen: de (technische) vormgeving schiet nog vaak tekort. Het zou te ver voeren om alle recente uitspraken hier afzonderlijk te bespreken, maar wie ons artikel Tour d’Horizon fiscaal strafrecht 2025[7] leest, kan moeilijk om dit structurele gepiep en gekraak heen.
[1] Rechtbank Amsterdam 3 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3295.
[2] Vgl. HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR2025:302.
[3] Vgl. HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665.
[4] Vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205 en HR 18 februari 2025:ECLI:NL:HR:2025:305.
[5] HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418 en HR 30 oktober 2007, ECLI:NL: HR:2007:BA5615.
[6] Hoge Raad 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1030.
[7] R. Vosman en A.B. Vissers, ‘Tour d’Horizon fiscaal strafrecht 2025’, Tijdschrift Formeel Belastingrecht, maart 2026, nr. 2.
