In deze zaak gaat het om een beklag ex artikel 552a Sv tegen een op artikel 94a Sv gebaseerd conservatoir beslag op meerdere goederen, waaronder geldbedragen, twee horloges en een motorfiets, in een strafrechtelijk onderzoek waarin klager wordt verdacht van witwassen en betrokkenheid bij frauduleuze pintransacties. Het beslag is gelegd met het oog op de mogelijke oplegging van een schadevergoedingsmaatregel van € 38.000, terwijl de waarde van alle inbeslaggenomen goederen bij elkaar circa € 67.775 bedraagt.
Klager betoogt dan ook dat sprake is van een wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen goederen en de te verwachten betalingsverplichting. Voorts is gesteld dat het beslag op de motor tot waardevermindering leidt en dat het geld benodigd is voor de bedrijfsvoering van klagers onderneming.
Rechtbank Den Haag verklaart het klaagschrift evenwel ongegrond, ook voor zover dat erop berust dat het beslag in geen redelijke verhouding staat. Daarbij wordt vooropgesteld dat het onderzoek in de raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt, “zodat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden”. De stelling dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de hoogte van een mogelijke schadevergoedingsmaatregel zal overstijgen, is volgens de rechtbank op zichzelf geen reden om het beslag op te heffen. In de persoonlijke omstandigheden zoals door de klager naar voren is gebracht, namelijk de waardedaling van de motor en het belang van zijn onderneming, ziet de rechtbank “onvoldoende aanleiding aan te nemen dat de voortduring van het beslag in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit”.
Het cassatiemiddel richt zich tegen deze overwegingen van de rechtbank. In dat kader wijst de Hoge Raad naar zijn eerdere overwegingen uit HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128. De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter weliswaar niet ambtshalve gehouden is onderzoek te doen naar de proportionaliteit en subsidiariteit van beslag op grond van artikel 94a Sv. Echter, wanneer door of namens de klager concrete omstandigheden worden aangevoerd die een beroep doen op deze beginselen – bijvoorbeeld dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan – dan is de rechter gehouden om blijk te geven van een daadwerkelijk onderzoek naar de proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van het beslag.[1] Daarnaast is de rechter gehouden blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).[2]
Aldus kunnen verschillende omstandigheden aanleiding geven tot een onderzoek naar de (dis)proportionaliteit van het beslag:
- Ten eerste kan sprake zijn van disproportionaliteit tussen de persoonlijke belangen van de klager en de belangen van het voortduren van het beslag.
- Ten tweede kan sprake zijn van disproportionaliteit tussen de waarde van de in beslag genomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, is afhankelijk van de concrete onderbouwing – (i) of (ii) hierboven – van de door of namens de klager aangevoerde argumenten.
Verder komt volgens de Hoge Raad betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken en de klager langer door het beslag wordt getroffen, kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.
Enige kritische kanttekening bij deze benadering is overigens op zijn plaats. Deze formulering van de Hoge Raad impliceert immers dat pas na verloop van (aanzienlijke) tijd het belang van de betrokkene zwaarder gaat wegen. In deze benadering schuilt het risico dat het beslag onnodig lang voortduurt, terwijl de betrokkene vanaf het moment van beslaglegging in zijn persoonlijke belangen wordt geraakt en op dat moment doorgaans voldoende duidelijkheid bestaat over zowel de waarde van de beslagen goederen als de te verwachten hoogte van een eventuele betalingsverplichting. Ook in deze zaak stond vast dat de schadevergoedingsmaatregel een bedrag van € 38.000 niet zal overstijgen, nu uit het dossier blijkt dat dit het bedrag is dat met de gestolen pinpas zou zijn opgenomen.
De Hoge Raad stelt vast dat in deze zaak nadrukkelijk door klager is aangevoerd dat de waarde van de goederen aanzienlijk hoger is dan het bedrag van de te verwachten schadevergoedingsmaatregel. Daarmee was de rechter gehouden blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of de voortzetting van het beslag nog in redelijke verhouding staat tot het met het beslag nagestreefde doel. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank weliswaar heeft onderzocht of het beslag gelet op de persoonlijke belangen van klager in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Maar uit de beschikking blijkt niets van een concrete beoordeling van de vraag of het beslag in stand kon blijven, ondanks de wanverhouding tussen de waarde van de goederen en de hoogte van de verwachte schadevergoedingsmaatregel. De enkele, niet nader gemotiveerde overweging van de rechtbank – dat het feit dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen de te verwachten schadevergoedingsmaatregel overstijgt, onvoldoende is om het beslag op te heffen – is volgens de Hoge Raad ontoereikend. Daarbij zijn de eisen miskend zoals die volgen uit HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug, zodat de zaak opnieuw wordt behandeld met inachtneming van het (wel) juiste proportionaliteitsonderzoek zoals volgt uit de hierboven genoemde jurisprudentie.
Hoge Raad 27 mei, ECLI:NL:HR:2025:804
ECLI:NL:HR:2025:804, Hoge Raad, 23/01881
[1] Zie ook HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en EHRM 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.
[2] Zie ook HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9890, HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3722 en EHRM 17 mei 2016, nr. 38359/13 (Džinić/Kroatië), overweging 80.
