De wetgever had bij het ontwerp van Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’) een actieve belastingrechter voor ogen die binnen de grenzen van het geschil op zoek gaat naar ‘de materiele waarheid’.[1] Daarbij kan bijvoorbeeld worden gewezen op artikel 8:69 lid 3 Awb, op grond waarvan de rechter ambtshalve (uit eigen beweging) de feiten die door partijen zijn aangevoerd, mag aanvullen. Hierbij hangt het van de persoonlijke taakopvatting van de betrokken rechter af hoe actief hij (of zij) zich in dat verband opstelt. Sommige belastingrechters gaan hierbij zeer actief te werk,  soms te actief naar mijn smaak. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 15 september 2023 is hiervoor exemplarisch.[2]

Bij het Regionale Informatie- en Expertise Centrum (hierna: RIEC) is op 26 september 2016 een melding binnengekomen. In deze RIEC-melding staat dat er omvangrijke contante bedragen op de bankrekening van belanghebbende zijn gestort in de periode 2012 tot en met 2016. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur (navorderings-)aanslagen opgelegd over de jaren 2013 tot en met 2015, waarbij de gestorte bedragen zijn belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

Belanghebbende tekent (na uitspraak op bezwaar) beroep aan bij de Rechtbank Noord-Holland. In geschil is onder meer of de bewijslast kan worden omgekeerd wegens het niet doen van de vereiste aangifte. De inspecteur vindt van wel omdat de niet-aangegeven contante stortingen voortspruiten uit overige werkzaamheden uit hennepkwekerij. Belanghebbende ontkent dat ten stelligste en voert aan dat de stortingen voortkomen uit onbelaste gokactiviteiten.

De rechtbank lijkt belanghebbende (ter zitting) uitgebreid over zijn gokactiviteiten te hebben bevraagd, zo volgt uit de volgende overwegingen:

“Eiser heeft ter zitting immers uitgebreid uiteengezet hoe hij zich in de onderhavige jaren met deze gokactiviteiten van structurele inkomsten heeft weten te verzekeren. (…) Eiser heeft ter zitting ook erkend dat de inkomsten door hem zijn verdiend als beroepsgokker. Met eiser gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat het gaat om beroepsmatige     activiteiten en dat er (objectief gezien) een redelijke voordeelsverwachting bestond. (…) Nu eiser de inkomsten – zoals hij ook stelt – heeft beoogd en sprake is van arbeid van voldoende omvang, kunnen de inkomsten binnen het door eiser geschetste scenario eveneens worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.”[3] [onderstreping toegevoegd]

Ik vind het opvallend te lezen dat eiser ter zitting zou hebben ‘erkend’ dat de  inkomsten door hem als ‘beroepsgokker’ zijn verdiend. Hierdoor kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de term ‘beroepsgokker’ niet uit de koker van belanghebbende of de inspecteur komt, maar zelfstandig door de rechtbank is opgeworpen (en door belanghebbende is bevestigd). In mijn optiek overschrijdt de rechtbank hiermee de grenzen van zijn ambtshalve onderzoek naar de feiten. Dit omdat belanghebbende de fiscaal-juridische gevolgen van zijn erkenning beroepsgokker te zijn – namelijk het genieten van belastbaar resultaat – zeer waarschijnlijk niet heeft overzien. Integendeel: hij meende met gokken nu juist onbelast voordeel te hebben behaald. Dit in tegenstelling tot de door de Inspecteur gestelde inkomsten uit vermeende hennephandel.

In het arrest van 13 maart 1970 boog het Hof ’s-Gravenhage zich over een fiscale procedure waarin een belanghebbende aan meerdere kansspelen (waaronder roulette)  had deelgenomen. Daarmee had hij in de jaren 1960 tot en met 1963 kennelijk een positief eindresultaat weten te behalen. De inspecteur en belanghebbende waren het niet eens over de vraag of deze voordelen belast inkomen opleverden. Interessant is dat belanghebbende in die zaak ook gesteld zou hebben een ‘beroepsgokker’ te zijn. Ik verwijs naar de volgende overweging van het hof:

“Aan het door de belangh. in het verleden wel ingenomen standpunt, dat hij een ,,beroepsgokker” was, hecht het Hof generlei betekenis, nu (…) niets uitwijst dat de belangh. heeft moeten beseffen welke gevolgtrekkingen uit de door hem gebezigde woorden zouden kunnen worden gemaakt door iemand, die gewend is te denken in fiscaalrechtelijke termen.”[4] [onderstreping toegevoegd]

In mijn optiek heeft in de zaak van belanghebbende hetzelfde te gelden: belanghebbende zal zich niet hebben gerealiseerd dat zijn erkenning ‘beroepsgokker’ te zijn, ertoe zou leiden dat de rechtbank hem fiscaal-juridisch als ‘resultaatgenieter’ zou zien. Doordat belanghebbende zich hiervan de fiscaal-juridische gevolgen dus niet heeft gerealiseerd, had de rechtbank de voornoemde erkenning ter zitting (mijns inziens) niet ten grondslag moeten leggen aan het oordeel dat hij als beroepsgokker resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten. Daar komt bij dat de Rechtbank hiermee de ‘materiële waarheid’ geweld aandoet, omdat belanghebbende niet daadwerkelijk beroepsmatig gokactiviteiten kan hebben verricht. In mijn optiek bestaat er namelijk niet zoiets als een ‘beroepsgokker’ die beroepsmatig gokactiviteiten verricht waaruit belastbaar resultaat wordt getrokken. Bij gokken ontbreekt het namelijk aan voorzienbaar voordeel, omdat gokken een activiteit van louter speculatieve aard betreft.[5] Want vergeet niet: ‘Het huis wint altijd!’

 

[1] Kamerstukken II 1991/92, 22 945, nr. 3, blz. 36-37.

[2] Rb. Noord-Holland 15 september 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:9361.

[3] Rb. Noord-Holland 15 september 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:9361, r.o. 21.

[4] Hof ’s-Gravenhage 13 maart 1970, ECLI:NL:GHSGR:1970:AX4951, BNB 1971/62.

[5] HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8765, BNB 2002/129, V-N 2002/8.19.