In een drietal recente zaken voor Rechtbank Rotterdam stond dezelfde rechtspersoon terecht op verdenking van het witwassen van aanzienlijke geldbedragen. Het zou gaan om bedragen tussen de € 4 en bijna € 12 miljoen euro, die zouden zijn aangewend voor de aankoop van vastgoed in Nederland en Duitsland en het aanhouden van tegoeden op Zwitserse bankrekeningen. Volgens de officier van justitie is dit geld afkomstig van [persoon A], een voormalig bankpresident die in Rusland is veroordeeld voor verduistering. Verdachte zou via een netwerk van vennootschappen en offshore-structuren gelden hebben ontvangen uit deze criminele herkomst. De verdediging betwist dit en voert aan dat het geld afkomstig is van twee Russische zakenlieden, [persoon C] en [persoon D], die via legale leningen van Russische banken in vastgoed zouden hebben geïnvesteerd.
De rechtbank onderzoekt in alle drie de zaken of sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Ten aanzien van de tegoeden op de Zwitserse rekeningen stelt de rechtbank vast dat er geen concrete aanwijzingen bestaan die een criminele herkomst aannemelijk maken. Dit geld wordt bovendien jaren na de vastgoedtransacties aangetroffen en de herkomst ervan is nooit onderzocht. Met betrekking tot de overige gelden – die zijn gebruikt voor de vastgoedtransacties – erkent de rechtbank dat witwastypologieën aanwezig zijn, zoals complexe geldstromen via offshore-vennootschappen en betrokkenheid van personen met een omstreden reputatie. Toch acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat het gaat om legale leningen van [persoon C] en [persoon D], niet bij voorbaat ongeloofwaardig. De verklaring is concreet, wordt ondersteund met stukken en biedt voldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek.
Aangezien de officier van justitie heeft nagelaten om wezenlijk onderzoek te verrichten naar deze verklaringen en rechtshulpverzoeken aan Rusland en de Verenigde Arabische Emiraten zijn vastgelopen, blijft onduidelijk of het geld daadwerkelijk een criminele herkomst heeft. De rechtbank concludeert in alle drie de zaken dat het bewijs onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van witwassen te komen en spreekt verdachte daarom vrij. De in beslag genomen goederen en gelden worden aan verdachte teruggegeven.
Rechtbank Rotterdam 3 april 2025, ECLI:NL:RBROT:205:4800
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:4800
Rechtbank Rotterdam 3 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4899
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:4899
Rechtbank Rotterdam 3 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4904
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:4903
