Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur voor de jaren 2016 en 2017 ten onrechte inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen wegens vermeende winstuitdelingen vanuit de B.V. aan haar aandeelhouder. Centraal staat de vraag of de schulden van belanghebbende aan zijn B.V. in die jaren kunnen worden aangemerkt als een onttrekking van vermogen van de vennootschap en daarmee als een belastbare uitdeling. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Uit de uitspraak blijkt dat een hoge of mogelijk oninbare schuldpositie op zichzelf onvoldoende is om een winstuitdeling aan te nemen. De inspecteur zal aannemelijk moeten maken dat het vermogen van de vennootschap daadwerkelijk en definitief aan de aandeelhouder ten goede is gekomen. Het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:26) vormt daarbij het beoordelingskader.
Belanghebbende en zijn partner hielden ieder 50% van de aandelen in de B.V. Zij hadden zowel een hypothecaire lening als een omvangrijke rekening-courantschuld bij de vennootschap. Na verkoop van de woning in 2016 bleef een aanzienlijke restschuld bestaan. Volgens de inspecteur was de schuldenpositie zodanig hoog dat een deel van het vermogen van de B.V. blijvend aan de aandeelhouders ten goede was gekomen. Daarom corrigeerde hij het inkomen uit aanmerkelijk belang in 2016 en 2017.
De rechtbank oordeelt onder verwijzing naar HR 13 januari 2023 dat een onttrekking zich op twee momenten kan voordoen. Dat kan bij het verstrekken van de lening, indien reeds dan vaststaat of zo goed als zeker is dat niet zal worden terugbetaald. Daarnaast kan een onttrekking later ontstaan als de vennootschap haar rechten als schuldeiser geheel of gedeeltelijk prijsgeeft vanwege de aandeelhoudersrelatie. Omdat in deze procedure uitsluitend de jaren 2016 en 2017 aan de orde zijn, hoeft de rechtbank niet te beoordelen of reeds in 2010 sprake was van een onttrekking. Beslissend is daarom of de B.V. in 2016 of 2017 haar schuldeisersrechten heeft prijsgegeven.
Volgens de inspecteur volgde uit zijn brief van 15 maart 2017 en het uitblijven van bezwaar tegen eerdere correcties over 2014 en 2015 dat belanghebbende had aanvaard dat een deel van de schuldpositie als uitdeling moest worden behandeld. In feite stelde de inspecteur zich op het standpunt dat de lening daarmee was “verzakelijkt” en dat verdere schuldtoenames jaarlijks als uitdeling konden worden gecorrigeerd. De rechtbank volgt dat betoog niet. Uit het enkele feit dat belanghebbende niet heeft geprocedeerd over eerdere jaren kan niet worden afgeleid dat de vennootschap haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. Daarbij weegt mee dat de inspecteur ter zitting heeft erkend dat van een formeel prijsgeven van rechten in 2016 en 2017 geen sprake was en dat hij zijn standpunt niet nader kon onderbouwen dan met verwijzing naar de brief van 15 maart 2017.
Ook het subsidiaire standpunt dat sprake zou zijn van prijsgeven in materiële zin slaagt niet. De rechtbank laat in het midden hoe HR 13 januari 2023 op dat punt precies moet worden uitgelegd, omdat de inspecteur hoe dan ook onvoldoende feiten heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat in 2016 of 2017 sprake was van een prijsgeven van schuldeisersrechten.
Een interessant punt ligt besloten in r.o. 26. De rechtbank laat in het midden of het in HR 13 januari 2023 bedoelde prijsgeven van schuldeisersrechten uitsluitend ziet op een formele rechtshandeling (zoals kwijtschelding, afstand van recht, vaststellingsovereenkomst e.d.) dan wel mede ruimte laat voor een meer materiële benadering in de sfeer van ‘informeel prijsgeven’, bijvoorbeeld wanneer een vennootschap gedurende langere tijd afziet van invordering, aflossingsverplichtingen niet handhaaft, zekerheden laat vervallen zonder compensatie of feitelijk accepteert dat terugbetaling niet meer zal plaatsvinden.
Op dit discussiepunt gaat de rechtbank niet in. De uitspraak vermeldt dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat geen sprake is van het (formeel) prijsgeven van rechten door de vennootschap in 2016 en 2017. Voor zover de inspecteur zich heeft willen beroepen op een vorm van materieel of informeel prijsgeven, acht de rechtbank dat standpunt onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke afbakening van het begrip prijsgeven. De aanslagen worden verminderd en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang wordt voor beide jaren op nihil vastgesteld. Daarmee blijft de principiële vraag naar de reikwijdte van het begrip prijsgeven vooralsnog onbeantwoord.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4484
