In een recente lezenswaardige uitspraak van Hof Den Bosch stond de vraag centraal of de inspecteur een ontnemingsrapportage uit een strafrechtelijk onderzoek mocht gebruiken na een verzoek op grond van artikel 55 AWR, terwijl de aanleiding voor dit verzoek zijn oorsprong vond in een onrechtmatige informatiedeling. Het hof neemt een interessante – en voor de fiscale praktijk relevante – positie in over de reikwijdte van de bewijsuitsluiting en de relatie tussen privacy‑schendingen, strafrechtelijke informatie en belastingheffing.

Belanghebbende woonde in de relevante jaren samen met zijn partner en beschikte over meerdere bankrekeningen waarop aanzienlijke contante stortingen plaatsvonden. In 2017 verzocht de inspecteur op grond van artikel 55 AWR aan de officier van justitie om gegevens uit het lopende strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende. De inspecteur verkreeg daarop het strafdossier, inclusief een ontnemingsrapportage waaruit volgde dat sprake zou zijn van een netto wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 1 mln.  De inspecteur verzocht vervolgens om bankafschriften, waarop de contante stortingen zichtbaar waren. De inspecteur is overgegaan tot het opleggen van verschillende navorderingsaanslagen waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel tijdsevenredig is toegerekend aan de verschillende belastingjaren.

Belanghebbende stelt onder meer dat deze rapportage en de bankgegevens moesten worden uitgesloten als bewijs, omdat de inspecteur de informatie voorafgaand aan het artikel 55‑verzoek onrechtmatig zou hebben verkregen.

Het hof constateert dat de inspecteur geen opheldering heeft kunnen geven over hoe, van wie en wanneer de melding dat er een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende liep hem heeft bereikt. Het bevreemdt het hof dat binnen de systemen van de Belastingdienst hier kennelijk geen vastlegging (meer) van is. Het hof ziet hierin aanleiding om belanghebbende in zijn standpunt te volgen dat de informatiedeling over het strafrechtelijk onderzoek op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Verder zal het hof aannemen dat deze onrechtmatigheid aan de inspecteur is toe te rekenen en dat belanghebbende, zoals door hem is gesteld, in zijn recht op privacy is geschaad.

Volgens het hof wordt in beginsel de rechtmatigheid van het artikel 55 AWR‑verzoek niet aangetast door een eerdere onrechtmatigheid, tenzij sprake is van een schending van een fundamenteel grondrecht van uitzonderlijke zwaarte, zoals discriminatie op grond van afkomst, geaardheid of geloof. Een (zelfs aan de inspecteur toe te rekenen) schending van de privacy valt volgens het hof niet onder zulke uitzonderlijke omstandigheden. Daarom blijft uit artikel 55-AWR voortkomende ontnemingsrapportage bruikbaar als bewijs.

Het hof buigt zich vervolgens over de aanslagen. Nu belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan – over meerdere jaren waren nihilaangiften ingediend terwijl er sprake was van inkomsten uit drugshandel – geldt een omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur mocht de berekening uit de ontnemingsrapportage daarom als redelijke schatting gebruiken. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel) strandt in deze zaak, nu de (vermeende) mede‑dealers zich volgens het hof op een ander hiërarchisch niveau in de keten bevonden. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De aanslagen zijn volgens het hof terecht opgelegd, waarbij sprake is van een redelijke schatting en passende vergrijpboeten. De ontnemingsrapportage blijft ondanks het discutabele voortraject bruikbaar als bewijs.

Deze uitspraak is interessant omdat het hof in deze zaak weliswaar erkent dat de informatie mogelijk in strijd met privacyregels is gedeeld, maar tegelijk overweegt dat dit soort onrechtmatigheden ‘niet zwaar genoeg zijn’ om de latere artikel 55 AWR‑informatie van bewijs uit te sluiten. Daarmee volgt het hof een lijn waarin het belang van belastingheffing en waarheidsvinding zwaar(der) weegt en privacy‑schendingen in (slechts) zeer uitzonderlijke gevallen leiden tot bewijsuitsluiting.

Daarnaast neemt het hof blijkens de uitspraak aan dat de inspecteur geen enkele vastlegging kan overleggen over de herkomst van de initiële informatie. Juist in een tijd waarin gegevensuitwisseling tussen politie, RIEC’s en Belastingdienst onder een vergrootglas ligt, kan van de inspecteur verwacht worden dat de informatiestroom zorgvuldig wordt geadministreerd.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:55