In twee recente uitspraken van Rechtbank Overijssel kwam een opvallende gang van zaken aan het licht bij het sluiten van een transactieovereenkomst.[1] De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachten. Zij volgde daarmee het door de verdediging en de officier van justitie ingenomen standpunt. Niet zozeer de niet-ontvankelijkverklaring zelf springt hier in het oog, maar met name het moment waarop het transactieaanbod is gedaan.

Er was sprake van een verdenking van witwassen, valsheid in geschrift en belastingfraude. Uit de uitspraken blijkt dat de officier van justitie een transactievoorstel aan de verdachten had gedaan, nadat de zaken reeds ter zitting bij de rechtbank waren aangevangen. Ook hadden er reeds onderzoekshandelingen plaatsgevonden onder leiding van de rechter-commissaris. De voorstellen hebben geresulteerd in transactieovereenkomsten, waarin de betaling van een bepaalde geldsom en het verrichten van een aantal uren onbetaalde arbeid was vastgelegd.

De rechtbank woog mee dat de officier van justitie aan de verdachten had toegezegd de vervolging te zullen staken, dat het fiscale nadeel geheel ongedaan was gemaakt door betaling van de naheffings- en navorderingsaanslagen, dat de kans op herhaling klein was en sprake was van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Daarmee ontbrak volgens de rechtbank elk strafvorderlijk belang bij voortzetting van de vervolging.

Opvallend is dat, hoewel de rechtbank dit wel kort benoemt, de rechtbank voorbijgaat aan de omstandigheid dat het transactievoorstel te laat is gedaan. Artikel 74 Sr bepaalt immers dat het transactievoorstel (c.q. het stellen van de voorwaarden) vóór aanvang van de zitting dient te worden gedaan door de officier. In de regel zal daarbij een termijn worden gesteld voor het voldoen van de gestelde voorwaarden. De Hoge Raad heeft verduidelijkt dat deze termijn na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting mag eindigen, maar het aanbod zelf moet tijdig zijn. [2] Daaruit kan worden opgemaakt dat het aanbod vóór aanvang van de zitting moet zijn gedaan en dat nog aan de voorwaarden kan worden voldaan na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, waardoor dan alsnog een transactieovereenkomst tot stand kan zijn gekomen.

Dat in artikel 74 Sr expliciet is opgenomen dat het voorstel voor aanvang van de zitting dient te worden gedaan, is niet louter symbolisch. Immers, de transactie is een vorm van buitengerechtelijke afdoening en beoogt strafvervolging te voorkomen. Het idee is om de rechter juist niet bij dit proces te betrekken.  Crijns pleitte in zijn dissertatie voor toelaatbaarheid van de strafrechtelijke overeenkomst mits deze een effectieve en legitieme bijdrage aan de strafrechtelijke handhaving kan leveren.[3] Niet alleen hadden in onderhavige gevallen al enkele zittingen plaatsgevonden (in het kader van de voorlopige hechtenis), maar er waren zelfs onderzoekshandelingen verricht. De effectiviteit lijkt bij deze gang van zaken dan ook ver te zoeken. Voorts lijkt de rechtbank hiermee de deur open te zetten naar tardieve transactievoorstellen, wat het doel van de transactie ondermijnt.

Alhoewel de pragmatische insteek van de rechtbank valt te begrijpen, rijst wel de vraag of de transactieovereenkomst in onderhavige gevallen überhaupt wel rechtsgeldig is. De rechtbank brandt zich verder niet aan deze vraag en lijkt de niet-ontvankelijkheid vooral te stoelen op het vertrouwensbeginsel. In een geval waarin betaling van een geldsom plaatsvond buiten de in het transactieaanbod gestelde termijn, overwoog de Hoge Raad dat daarmee niet was voldaan aan de in het aanbod gestelde voorwaarden en dat zodoende het recht tot strafvordering van het Openbaar Ministerie niet was komen te vervallen.[4] De vraag is of eenzelfde uitkomst voor de hand ligt in het geval sprake is van een te laat gedaan transactieaanbod. Dit tast immers de rechtsgeldigheid van de overeenkomst aan.

De uitkomst in de onderhavige vonnissen oogt een tactische manoeuvre van de rechtbank, maar of in dit geval sprake is van een legitieme bijdrage van de strafrechtelijke overeenkomst aan de strafrechtelijke handhaving, valt te betwijfelen.

[1] Rechtbank Overijssel 17 november 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:6656 en ECLI:NL:RBOVE:2025:6657).

[2] HR 27 juni 1932, NJ 1933, p. 27.

[3] ‘J.H. Crijns, De strafrechtelijke overeenkomst. De rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2010’, DD 2012/48, F. W. Bleichrodt.

[4] ‘Te laat betaalde transactie geen grond voor herziening’, RvdW 2009, 681 (HR 19-05-2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4371).