De Belastingdienst heeft een groep van 29 personen de afgelopen jaren meerdere malen gevraagd informatie te verstrekken over hun buitenlandse vermogen. Uiteindelijk zijn er van deze groep 11 personen gedagvaard wegens het opzettelijk niet verstrekken van informatie. Het OM eiste in alle zaken voorwaardelijke geldboetes van € 2.500. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft inmiddels drie uitspraken gepubliceerd.

Het OM verwijt alle verdachten dat zij per aangetekende brieven zijn verzocht om voor 6 maart 2020 informatie aan de Belastingdienst te verstrekken over hun buitenlandse vermogen en dat zij opzettelijk niet aan dit verzoek hebben voldaan.

 

Eerste zaak: Informatieverplichting is een inspanningsverplichting

In de eerste zaak draait het om een verdachte die in reactie op de hiervoor vermelde vragenbrief van de inspecteur heeft verklaard dat zij spaargeld had gestort op haar Zwitserse bankrekening, maar dat zij zich niet meer kon herinneren wanneer het spaargeld op de rekening is gestort en om welk bedrag het ging. Ook geeft zij aan dat zij de afschriften per e-mail heeft gevraagd aan de bank, maar dat dat duizenden euro’s zou kosten en dat zij dat niet heeft.

De rechtbank oordeelt dat zij daarmee wel enige informatie verstrekt en in zoverre deels wordt vrijgesproken. De verplichting tot informatieverstrekking ziet echter ook op stukken waarover niet wordt beschikt, zoals bankafschriften, een bewijs van opening en sluiting alsook vermogensoverzichten. Die stukken zijn niet verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich onvoldoende ingespannen om aan haar informatieplicht te voldoen en heeft zij daarmee opzettelijk niet voldaan aan haar informatieverplichting. Voorts overweegt de rechtbank dat de inspanningsverplichting die voortvloeit uit de informatieverplichting, ook geldt in het geval verdachte inderdaad niet over de financiële middelen zou beschikken om de gevraagde stukken te verkrijgen.

De rechtbank acht in beginsel het opleggen van een geldboete een passende strafrechtelijke reactie. Vanwege de draagkracht van de rechtbank legt de rechtbank in dit geval echter een taakstraf op van 60 uur.

 

Tweede zaak: Geen willekeur of schending art. 6 EVRM en ook geen pleitbaar standpunt

In de tweede zaak voerde de verdediging aan dat het OM niet-ontvankelijk verklaard diende te worden, omdat – kort gezegd – de Belastingdienst volgens ‘het Draaiboek’ gehouden was éérst een informatiebeschikking af te geven alsook dat de vervolging van verdachte prematuur en willekeurig is

Naar het oordeel van de rechtbank is het Draaiboek geen ‘recht’ in de zin van art. 79 Wet RO en vormt de daarin beschreven werkwijze geen wettelijke verplichting voor de inspecteur om eerst een informatiebeschikking af te geven alvorens tot strafvervolging kan worden overgegaan. Het ontbreken van een informatiebeschikking kan dan evenmin de niet-ontvankelijkheid van het OM tot gevolg hebben. De officier van justitie heeft voorts toegelicht waarom er is gekozen om over te gaan tot vervolging. Volgens de rechtbank blijkt daaruit dat een redelijke en billijke belangenafweging is gemaakt.

Daarnaast voerde de verdediging aan dat sprake was van een criminal charge, waardoor de waarborgen van art. 6 EVRM van toepassing zijn en verdachte niet gehouden was de informatie te verstrekken. De rechtbank oordeelt echter dat verdachte niet met een beroep op art. 6 EVRM kan weigeren de gevraagde inlichtingen en bescheiden te verstrekken. De rechtbank oordeelt dat op basis van geldende jurisprudentie van zowel het EHRM als de Hoge Raad een belastingplichtige desgevraagd alle informatie moet verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. De Hoge Raad heeft in een recent gewezen arrest herhaald dat indien op grond van geldende wet- en regelgeving een verplichting bestaat tot het doen van mededelingen, deze verplichting op zichzelf geen strijd oplevert met het nemo tenetur-beginsel.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat ook geen sprake was van een pleitbaar standpunt. Verdachte was zich bewust van het informatieverzoek en heeft het verzoek bewust genegeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dan ook opzettelijk niet voldaan aan het gedane verzoek.

Ten aanzien van de strafoplegging overweegt de rechtbank dat in zaken als deze de hoogte van de ontdoken belasting in belangrijke mate maatgevend is. In deze zaak kan echter bij de bepaling van de strafmaat geen rekening worden gehouden met de omvang van het eventuele fiscale nadeel, aangezien verdachte geen opgaaf heeft gedaan van haar buitenlandse vermogen. De rechtbank oordeelt dat een voorwaardelijke geldboete – zoals geëist door de officier van justitie en voorgesteld door de raadsman – geen passende strafrechtelijke reactie is op het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Alles overziend acht de rechtbank een geldboete van € 10.000 passend en geboden.

 

Derde zaak: Geen bewijs dat verdachte op de hoogte was van het informatieverzoek

De rechtbank komt in de derde zaak tot een vrijspraak. De brief met het verzoek om informatie is blijkens het dossier niet afgeleverd op het adres en retour gekomen. Daarnaast zijn medewerkers van de Belastingdienst driemaal naar het adres van verdachte geweest om de ‘finale brief’ te overhandigen. Uit de ambtsedige verklaring van de medewerkers van de Belastingdienst blijkt dat zij geen gehoor kregen, in de woning geen activiteiten waarnamen en dat zich in de brievenbus poststukken bevonden die aan verdachte waren geadresseerd. Zij hebben vervolgens de brief in de brievenbus gedeponeerd. Hierop is geen enkele reactie van verdachte gekomen.

De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van verdachte is om zich zodanig in de GBA in te schrijven dat hij vindbaar is voor overheidsinstanties. In beginsel komt een niet juiste registratie in de GBA en de gevolgen daarvan dan ook voor zijn risico. Uit het dossier blijkt echter dat de Belastingdienst op geen enkele wijze contact heeft gehad met verdachte. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van het verzoek van de Belastingdienst om inlichtingen te verstrekken. Gelet daarop kan de rechtbank ook niet vaststellen dat verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan dat verzoek en spreekt zij de verdachte vrij.

Rb. Zeeland-West-Brabant 8 september 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5190 (geldboete € 10.000)

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5190

Rb. Zeeland-West-Brabant 8 september 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5188 (60 uur taakstraf)

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5188

Rb. Zeeland-West-Brabant 8 september 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5189 (vrijspraak)

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:5189