Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant heeft op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een fiscale zaak voor de meervoudige belastingkamer over een reeks naheffingsaanslagen dividendbelasting die aan een buitenlands pensioenfonds waren opgelegd. Centraal stond de vraag of belanghebbende kon worden aangemerkt als ‘uiteindelijk gerechtigde’ van de in de jaren 2013–2018 ontvangen dividenden, in de zin van artikel 4, zevende lid, Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB).
De inspecteur had zich – na een eerder verleende reeks teruggaafbeschikkingen ter hoogte van ruim € 213 miljoen – op het standpunt gesteld dat sprake was van dividendstripping en dat aan de voorwaarden van artikel 4, zevende lid, was voldaan, zodat teruggaaf ten onrechte zou hebben plaatsgevonden. In beroep toetst de rechtbank of de inspecteur, op wie de bewijslast rust, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde kan gelden.
Uit de stukken volgt volgens de rechtbank dat belanghebbende gedurende meerdere jaren structureel gebruikmaakte van een zogenoemde ‘equity finance strategy’, waarbij zij kort voor de record date Nederlandse aandelen ‘over the counter’ aankocht, de daarmee samenhangende markt- en koersrisico’s afdekte via ‘price return swaps’ of vergelijkbare derivaten, en de aandelen kort na de dividenddatum weer verkocht. De rechtbank acht aannemelijk dat de 445 transacties waarop de naheffingsaanslagen betrekking hebben, uniform van aard waren en dat sprake was van een terugkerend — door de rechtbank als ‘circulariteit’ aangeduid — handelspatroon met dezelfde buitenlandse wederpartijen. Dat de transacties via brokers verliepen en niet contractueel expliciet werden verbonden, doet hier volgens de rechtbank niet aan af, aangezien de prijsstelling, de terugkerende handelswijze en de voorafgaande afstemming tussen partijen wijzen op een samenstel van rechtshandelingen in de zin van artikel 4, zevende lid, Wet DB. Ten aanzien van de transacties merken wij hier alvast op dat de inspecteur 379 transacties concreet in kaart gebracht. De rechtbank leidde vervolgens uit de uniformiteit van de equity finance‑strategie, de correspondentie, en het herhaalde handelspatroon af dat alle 445 transacties overeenkomstig die strategie zouden moeten zijn uitgevoerd. De rechtbank onderzocht dus niet elk van de 445 transacties individueel, maar aanvaardde dat de inspecteur voor het geheel aannemelijk had gemaakt dat sprake was van één doorlopend handelspatroon.
De rechtbank acht het vervolgens ook aannemelijk dat belanghebbende in samenhang met de genoten dividenden een tegenprestatie verrichtte. Die tegenprestatie zou bestaan uit een dividendvervangende vergoeding aan de buitenlandse wederpartijen: de aankoopprijs van de aandelen bevatte een bruto‑dividendcomponent, terwijl de teruglevering via de swap volgens de rechtbank resulteerde in een vergoeding aan de wederpartij die overeenkwam met (het equivalent van) het netto dividend, vermeerderd met een deel van de terugontvangen dividendbelasting. Hiermee werd volgens de rechtbank het belang bij de aandelen feitelijk bij de wederpartijen gelaten.
Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat de buitenlandse wederpartijen in mindere mate gerechtigd zouden zijn tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting dan belanghebbende. Bij de uitleg van artikel 4, zevende lid, verwerpt de rechtbank het standpunt dat ook de verrekeningspositie van de wederpartijen relevant is; uit tekst en wetsgeschiedenis zou volgens de rechtbank blijken dat de wetgever bewust enkel heeft aangesloten bij vermindering of teruggaaf. De rechtbank verwerpt tevens het beroep op het Unierecht, waaronder de arresten Nordcurrent en XX, omdat belanghebbende volgens de rechtbank niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat de wederpartijen als uiteindelijk gerechtigden kwalificeren, of dat verrekening in binnenlandse of hypothetische situaties tot neutralisatie zou hebben geleid.
De rechtbank overweegt ten slotte dat de inspecteur zou hebben voldaan aan zijn bewijslast met betrekking tot de vereisten van artikel 4, zevende lid, Wet DB: (i) een samenstel van rechtshandelingen, (ii) een door belanghebbende verrichte tegenprestatie, en (iii) wederpartijen die hun positie bij de aandelen behielden of heroverden, terwijl zij in mindere mate gerechtigd waren tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende zou derhalve in optiek van de rechtbank niet de ‘uiteindelijk gerechtigde’ zijn geweest van de dividenden.
Op de uitspraak van de rechtbank is in onze optiek veel af te dingen. Een aantal punten stippen wij – vooruitlopend op de volgende On The Spot – alvast kort aan. In de eerste plaats vormen de door de rechtbank de behandelde voorwaarden niet alle voorwaarden van artikel 4, zevende lid, Wet DB. Een aantal voorwaarden laat de rechtbank immers volledig besproken. Een belangrijke vervolgvraag is verder wie dan wél als uiteindelijk gerechtigde van de dividenden moet worden beschouwd, nu belanghebbende – volgens de rechtbank – die hoedanigheid niet zou bezitten. De rechtbank geeft hierop geen antwoord. In lijn met vaste Unierechtelijke jurisprudentie (waaronder de Danish Beneficial Ownership-arresten) benadrukt de rechtbank dat het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dát de teruggaafgerechtigde niet de uiteindelijk gerechtigde is: de inspecteur zou dan niet gehouden zijn om de uiteindelijk gerechtigde (wie dan wel) te identificeren. De bewijslast voor de uiteindelijk gerechtigde legt de rechtbank daarmee volledig bij belanghebbende. Na een analyse (waarbij in onze optiek de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn) zou belanghebbende er volgens de rechtbank niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat één of meer buitenlandse wederpartijen als uiteindelijk gerechtigde zouden kunnen worden aangemerkt. Interessant is dat de rechtbank de mogelijkheid van een buitenlandse uiteindelijk gerechtigde niet categorisch uitsluit. Dat volgt impliciet uit het feit dat zij wél onderzoekt of de buitenlandse wederpartijen in mindere mate gerechtigd zijn tot vermindering of teruggaaf van dividendbelasting. Als die wederpartijen op voorhand nooit als uiteindelijk gerechtigde hadden kunnen kwalificeren, zou een dergelijke analyse immers overbodig zijn geweest. De rechtbank lijkt daarmee te erkennen dat buitenlandse partijen in beginsel wél als uiteindelijk gerechtigde zouden kunnen fungeren, mits belanghebbende die stelling met concrete feiten onderbouwt.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9122
