In deze editie van de On The Spot staat een ietwat formeelrechtelijk onderwerp centraal, namelijk de vereiste machtiging bij bestuursrechtelijke procedures. A-G Pauwels ving zijn conclusie aan met een ‘verantwoording’ voor zijn conclusie:

Een materieelrechtelijk-geïnteresseerde fiscalist zal zich wellicht in wanhoop afvragen waarom – en bovendien zo uitgebreid – wordt geconcludeerd over geneuzel met machtigingen. Die vraag kan ik begrijpen. Toch is de voorliggende kwestie relevant. Dat heeft te maken met de diverse belangen die ermee zijn gediend dat de norm wordt gehandhaafd dat alleen een daartoe bevoegde rechtsmiddelen kan aanwenden.”[1]

Voor de formeelrechtelijk-geïnteresseerde fiscalist die voor zijn cliënte in rechte optreedt is de machtigingskwestie echter wel interessant, nu de Hoge Raad in zijn arrest van 17 april jl. is teruggekomen van zijn eerdere jurisprudentie.[2] De Hoge Raad verruimt in zijn arrest de mogelijkheid voor de bestuursrechter om een nieuwe machtiging te verzoeken. Deze On the Spot dient daarmee als een soort wake-up call voor de ‘procederende fiscalist’: zorg te allen tijde voor een recente machtiging.

Artikel 8:24 Awb bepaalt de regels voor de vertegenwoordiging in bestuursrechtelijke procedures. Kort en goed: belanghebbende kan zich laten vertegenwoordigen (lid 1) en aan de niet-advocaat die belanghebbende vertegenwoordigt, kan door de rechter worden verzocht om een schriftelijke machtiging te overleggen (lid 2 en 3). De vormgeving van de volmacht is geregeld in Titel 3:3 BW.

A-G Pauwels typeert de situatie zoals deze – vanaf de behandeling bij het Gerechtshof voorlag – als volgt:

In deze bijlage abstraheer ik van de exacte feitelijkheden in de onderhavige zaken. Het gaat mij in deze bijlage om het gevalstype waarin (i) de (gesteld) gemachtigde een prima facie dekkende machtiging heeft overgelegd aan de bestuursrechter, en (ii) de bestuursrechter niettemin van de gemachtigde een nieuwe machtiging verlangt. Met een prima facie dekkende machtiging bedoel ik een schriftelijke machtiging waarvan de bewoordingen de uitleg toelaten dat (mogelijk) een toereikende volmacht bestaat voor het aanwenden van het desbetreffende rechtsmiddel namens de belanghebbende.”[3]

Uit de rechtbankuitspraak blijkt dat de machtigingskwestie nog geen probleem vormde. In hoger beroep heeft Y – die belanghebbende bijstaat in deze procedure – bij indiening van het hoger beroepschrift een volmacht overgelegd, gedateerd 28 februari 2022. Uit de uitgangspunten in cassatie blijkt dat in deze volmacht is vermeld dat Y was gemachtigd belanghebbende “te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)”. Binnen de reikwijdte van de machtiging viel ook het “indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger)beroep of cassatie”.  Het ingestelde (hoger) beroep – tegen de uitspraak van de rechtbank waarin de WOZ-waarde werd gehandhaafd – lijkt daarmee op het eerste oog binnen de reikwijdte van de machtiging te vallen. Een prima facie dekkende machtiging dus. Het tijdvak waarvoor deze machtiging gold, blijkt echter niet uit de gepubliceerde uitspraak van het gerechtshof, noch uit de conclusie van de A-G, noch uit het arrest van de Hoge Raad.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Y verzocht een recente machtiging te verstrekken “gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop de machtiging is verleend, het moment waarop [Y] het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en het feit dat het een doorlopende en in algemene termen geformuleerde volmacht betreft”.[4] Nu de machtiging dateert van dezelfde dag als de beschikking waartegen, voorafgaand aan het huidige hoger beroep, bezwaar en beroep was aangetekend en het een feit van algemene bekendheid is dat een procedure nu eenmaal de nodige tijd kost, lijkt de ‘tijdsverloopomstandigheid’ in deze met name om te bezien of de gemachtigde nog steeds gemachtigd is, met name in het soort zaken waarbij deze machtigingsproblematiek zich voordoet.

De door het gerechtshof verlangde nieuwe schriftelijke machtiging diende niet ouder te zijn dan drie maanden “gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift”. Daaruit kan worden opgemaakt dat de prima facie gemachtigde die hoger beroep instelt, nog in de drie maanden daarna feitelijk schriftelijk gemachtigd kan worden. Een soort bekrachtiging van een eerder verstrekte machtiging.

Y heeft vervolgens – op verzoek van het gerechtshof –  op 9 augustus 2024 en daarmee binnen de door het Gerechtshof gestelde termijn  een machtiging gedateerd van 18 maart 2024 overgelegd. Deze machtiging heeft echter specifiek betrekking op het tijdvak 2024. Met de indiening van deze nieuwe schriftelijke machtiging ontstaat bij mij enige twijfel over de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Opvallend is namelijk de dagtekening van deze machtiging. Op 9 januari 2024 – ruim 2 maanden vóór de dagtekening van de machtiging – was het hogerberoepschrift al ingediend. De nieuwe machtiging kan daarmee de voornoemde bekrachtiging kunnen zijn, maar deze is niet op dat moment ook aan het gerechtshof overgelegd. Pas na de verzoeken tot een nieuwe machtiging – omdat volgens het Hof twijfel was over de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van hoger beroep – welke dateerden van 31 juli 2024 (per brief) en 7 augustus 2024 (ter zitting), werd deze machtiging verstrekt. De vraag komt op waarom de gemachtigde de eerder verstrekte nieuwe machtiging – gelet op het risico van niet-ontvankelijkheid – niet na de verstrekking daarvan door belanghebbende aan het gerechtshof heeft overgelegd?

Op basis van voornoemde omstandigheden meende het gerechtshof dat sprake was van gerede twijfel aan de bevoegdheid van Y en heeft aan het uitblijven van de verzochte nieuwe (en juiste, gelet op het vermelde tijdsvak) machtiging, de gevolgtrekking verbonden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Het Hof voegt aan deze overweging nog toe dat hij daarbij van belang acht dat sprake is van een periodiek karakter van de WOZ-beschikkingen, alsmede de vaste datum van de bekendmaking daarvan, wat de kans vergroot  “dat een gemachtigde met een algemene, doorlopende machtiging rechtsmiddelen aanwendt zonder dat een belastingplichtige kennis draagt van en instemt met het aanwenden van het rechtsmiddel”.[5]

In cassatie bestrijdt belanghebbende (of beter gezegd: de mogelijk niet gemachtigde) de niet-ontvankelijkheidsverklaring in hoger beroep. Volgens het middel was er geen grond voor het gerechtshof om een nieuwe machtiging te vragen. Ik haalde de conclusie van A-G Pauwels al aan. Daarin zette de AG ook uiteen voor welke keuze de Hoge Raad staat: “of hij [de Hoge Raad; toevoeging MP] de kwestie onder welke omstandigheden een feitenrechter een nieuwe machtiging  mag verlangen, of (overwegend) feitelijk dan wel (overwegend) rechtskundig beschouwt”.[6]

De Hoge Raad overweegt dat bij het opvragen van een nieuwe machtiging, “niet [is; toevoeging MP] vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.[7] Daarmee komt de Hoge Raad terug op zijn arrest uit BNB 2013/244, waarin de Hoge Raad overwoog dat in redelijkheid geen aanleiding bestond om aan de bevoegdheid tot het instellen van beroep te twijfelen, omdat zich geen situatie als bedoeld in artikel 3:72 BW voordeed, als gevolg waarvan  geen nieuwe schriftelijke machtiging kon worden verlangd.[8] Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat men bij “overeenkomstige toepassing van (onder meer) Titel 3 van Boek 3 BW op procesrechtelijke rechtshandelingen uitermate voorzichtig dient te zijn”.[9] Opvallend daarbij acht ik dat de aangehaalde parlementaire geschiedenis dateert van 1970/1971 en dus ook al bestond toen de Hoge Raad zijn kader uiteenzette in BNB 2013/244. Vermoedelijk komt de Hoge Raad nu toch tot een ander kader wegens het tijdsgewicht zoals ook kort uiteengezet door A-G Pauwels:

Aan HR BNB 2013/244 ligt wellicht onbewust ten grondslag een zeker basisvertrouwen dat een gemachtigde handelt op basis van een volmacht. Zo dat het geval is, is het tijdsgewricht in die zin gewijzigd dat blijkens de in 8.10 en 8.11 genoemde gevallen een dergelijk basisvertrouwen niet zonder meer gerechtvaardigd is in bepaalde ncnp-gevallen [no-cure-no-pay-gevallen; toevoeging MP]. De vraag naar wat een passend juridisch kader is gegeven een gewijzigd tijdsgewricht, laat zich niet direct beantwoorden door een arrest dat is gewezen onder het eerdere tijdsgewricht. Dat vraagt heroriëntatie aan de hand van de onderliggende uitgangspunten.[10]

De bevoegdheid tot het opvragen van een nieuwe machtiging is met dit arrest aldus verruimd. De Hoge Raad beschouwt de kwestie waaronder een nieuwe machtiging mag worden verlangd daarmee overwegend rechtskundig van aard: artikel 8:24 Awb biedt de bestuursrechter de mogelijkheid om een schriftelijke machtiging te laten overleggen. Aanwijzingen voor situaties zoals uiteengezet in artikel 3:72 BW zijn daarvoor niet langer vereist. Het verzoek om een nieuwe machtiging hoeft de feitenrechter ook niet te motiveren.  Volledigheidshalve merk ik nog op dat het verzoek tot een nieuwe, recente machtiging door de belastingrechter in veel gevallen plaatsvindt bij bepaald type zaken, zoals WOZ en BPM-zaken, doch dat de verruimde rechtsregel van de Hoge Raad niet expliciet tot dit soort type zaken is beperkt.

De feitenrechters die in de dagelijkse (rechts)praktijk worden geconfronteerd met de machtigingenproblematiek zullen in ieder geval positief gestemd zijn met deze verruiming. Voor de procederende fiscalist is het van belang te beschikken over een recente en voldoende gespecificeerde machtiging. Het is daarom raadzaam om voor te verrichten rechtshandelingen, zoals het aanwenden van rechtsmiddelen, zorg te dragen voor een (hernieuwde) machtiging. Hoewel dit niet volgt uit het arrest van de Hoge Raad kan ik mij overigens voorstellen dat wanneer goedkeuring wordt verzocht voor het instellen van een rechtsmiddel, bijvoorbeeld per e-mail, de goedkeurende respons daarop mijns inziens kan worden aangemerkt als een stuk waaruit blijkt dat de adviseur gemachtigd is tot het instellen van het rechtsmiddel. Dit geldt mijns inziens temeer indien in het desbetreffende dossier sprake is van een prima facie machtiging.

 

 

 

 

 

[1] Concl. A-G Pauwels , 30 mei 2025. ECLI:NL:PHR:2025:652, par. 1.3.

[2] HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.

[3] Concl. A-G Pauwels , 30 mei 2025. ECLI:NL:PHR:2025:652, par. 1.5.

[4] Gerechtshof Den Haag 10 oktober 2024, ECLI:NL:HR:GHDHA:2024:1985, r.o. 3.2.1.

[5] Gerechtshof Den Haag 10 oktober 2024, ECLI:NL:HR:GHDHA:2024:1985, r.o. 3.4.

[6] Concl. A-G Pauwels , 30 mei 2025. ECLI:NL:PHR:2025:652, par. 1.8.

[7] Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556 , r.o. 4.3.3.

[8] HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840, r.o. 3.3.

[9] HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840, r.o. 3.4.

[10] Concl. A-G Pauwels, 30 mei 2025. ECLI:NL:PHR:2025:652, par. 8.16.