In een recente uitspraak van Rechtbank Gelderland staat de fiscale kwalificatie en toerekening van een overeengekomen management fee centraal, alsmede de vraag of de inspecteur terecht toepassing heeft gegeven aan omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank beantwoordt beide vragen bevestigend en sluit daarbij nauw aan bij de civielrechtelijke en fiscale uitgangspunten die gelden voor resultaat uit overige werkzaamheden (ROW).

Belanghebbende verricht in de jaren 2014 tot en met 2016 werkzaamheden als ‘Direktor’ voor een Zwitserse AG, waarvoor een management fee van € 8.000 per maand is overeengekomen. Deze fee wordt (deels) geboekt in rekening-courant en belanghebbende ontvangt daarnaast substantiële betalingen op zijn privérekening afkomstig van de door de AG gebruikte bankrekening. In zijn aangiften inkomstenbelasting vermeldt belanghebbende daarentegen uitsluitend een beperkt inkomen uit vroegere dienstbetrekking. De inspecteur corrigeert dit door per jaar € 96.000 als ROW in aanmerking te nemen.

De rechtbank stelt voorop dat omkering en verzwaring van de bewijslast slechts kan worden toegepast indien vaststaat dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Daarbij toetst zij – conform vaste jurisprudentie – of sprake is van een absoluut en relatief aanzienlijk verschil tussen de aangegeven en de werkelijk verschuldigde belasting én of belanghebbende zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. De rechtbank acht dit aannemelijk, waarbij zij doorslaggevende betekenis toekent aan de hoogte van de niet aangegeven management fee en aan een tapgesprek, waaruit volgt dat belanghebbende zich ervan bewust was dat hierover belasting verschuldigd was.

Materieelrechtelijk verwerpt de rechtbank het standpunt van belanghebbende dat de management fee niet zou zijn genoten omdat deze (nog) niet zou zijn uitbetaald. Onder verwijzing naar art. 3.94 en 3.95 Wet IB 2001 benadrukt de rechtbank dat het resultaat uit overige werkzaamheden moet worden bepaald met inachtneming van goed koopmansgebruik. Dat brengt mee dat baten worden toegerekend aan het tijdvak waarop zij betrekking hebben en dat het kasstelsel geen toepassing vindt. Zelfs indien betaling uitblijft, ontstaat volgens de rechtbank een vordering en dient de daarmee samenhangende bate tot het ROW te worden gerekend, tenzij sprake is van oninbaarheid. Nu belanghebbende de gestelde oninbaarheid niet met stukken heeft onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

Ook het beroep op de rekening-courantverhouding en een (veronderstelde) vordering van € 783.000 op de AG biedt belanghebbende geen soelaas. De rechtbank volgt de inspecteur in diens betoog dat belanghebbende feitelijk vrijelijk over de rekening-courant kon beschikken. Daarbij acht zij van belang dat de management fee expliciet als zodanig is geboekt en dat daarnaast substantiële bedragen daadwerkelijk op de privérekeningen van belanghebbende zijn ontvangen. Dat in 2016 geen expliciete boekingen ‘management fee’ zijn aangetroffen, doet daar volgens de rechtbank niet aan af. Uit de feitelijke gang van zaken in eerdere jaren leidt zij een bewijsvermoeden af dat ook in dat jaar management fee is genoten, dan wel daarop recht bestond.

Na toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast beperkt de rechtbank zich vervolgens tot de vraag of de door de inspecteur aangebrachte correcties willekeurig zijn. Dat is volgens de rechtbank niet het geval, nu de correctie rechtstreeks aansluit bij de contractueel overeengekomen management fee en geen tegenbewijs wordt aangedragen.

De vraag rijst waar de precieze grens ligt tussen bewijsvermoedens en feitelijke vaststellingen in het kader van omkering en verzwaring van de bewijslast. Met name voor het jaar 2016 lijkt de rechtbank relatief snel genoegen te nemen met een uit eerdere jaren afgeleid vermoeden van ‘genieten of recht op genieten’, zonder dat concrete jaar-specifieke gegevens voorhanden zijn. Daarmee wordt de bewijspositie van de belastingplichtige bij langdurige rekening-courantverhoudingen aanzienlijk verzwaard. De uitspraak onderstreept dat belastingplichtigen die werken met uitgestelde vergoedingen en interne verrekeningen scherp moeten administreren en documenteren, maar roept tegelijkertijd de vraag op of de redelijkheidstoets bij extrapolatie naar latere jaren hier niet te terughoudend is toegepast.

Uit de uitspraak lijkt verder te volgen dat een feitelijke inhouding van bedragen die als ‘loonheffing’ zijn aangeduid, geen zelfstandige fiscale betekenis heeft indien die inhouding niet berust op een inhoudingsplicht in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit kan in de praktijk leiden tot frictie, nu de belastingplichtige noch via verrekening noch via de vaststelling van het inkomen compensatie verkrijgt voor ten onrechte ingehouden bedragen. Opvallend is dat de rechtbank in deze zaak geen betekenis toekent aan een eventuele inhouding van loonheffing. Dat staat in contrast met recente rechtspraak op het terrein van de dividendbelasting, waarin juist sterk werd vastgehouden aan de formele inhoudingsverplichting en afdrachtsplicht, ook indien achteraf blijkt dat de inhouding materieel niet verschuldigd was (ECLI:NL:GHARL:2026:1691). De vraag rijst of deze uiteenlopende benaderingen voldoende recht doen aan de rechtszekerheid van belastingplichtigen die zich bevinden op het snijvlak van kwalificatie- en inhoudingsvraagstukken.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11108