Wie naar Jersey verhuist, verlaat niet automatisch de reikwijdte van artikel 47 AWR. Dat blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2026. De inspecteur mag een geëmigreerde belastingplichtige rechtstreeks om informatie vragen, ook als er met het woonland een verdrag tot uitwisseling van inlichtingen bestaat – een zogenaamde ‘Tax Information Exchange Agreement’ (hierna TIEA). De route langs een dergelijk verdrag is geen verplichte eerste stap.

Belanghebbende en haar partner woonden tot eind september 2013 in Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op Jersey; op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen in Nederland uitgeschreven en op Jersey ingeschreven. De inspecteur heeft belanghebbende vervolgens op grond van artikel 47 AWR om informatie gevraagd ten behoeve van de heffing van IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2014. Aangezien zij die informatie niet volledig verstrekte, heeft hij op 20 november 2016 informatiebeschikkingen gegeven voor al die jaren. Op 14 maart 2017 wendt hij zich bovendien op grond van artikel 4 van de TIEA tot de bevoegde autoriteiten van Jersey met het verzoek om informatie over belanghebbende, haar partner en een vennootschap waarvan zij gezamenlijk enig aandeelhouder zijn. In 2020 heeft de inspecteur op grond van de door Jersey verstrekte informatie navorderingsaanslagen IB/PVV over 2008, 2009, 2011 en 2012 opgelegd.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren waarover inmiddels is nagevorderd. Door de oplegging van die aanslagen zijn de informatiebeschikkingen ingevolge artikel 52a, lid 3, AWR immers vervallen, waardoor belanghebbende geen procesbelang meer heeft.

Voor de resterende jaren (2010, 2013 en 2014) acht het Hof de informatiebeschikkingen terecht gegeven. De kernklacht van belanghebbende is een exclusiviteitsargument: nu met Jersey een verdrag bestaat dat specifiek ziet op informatie-uitwisseling, zou artikel 4 TIEA de inspecteur verplichten om de gevraagde informatie bij uitsluiting via die bepaling in de TIEA te verzoeken, in plaats van het rechtstreeks aanschrijven van belanghebbende via artikel 47 AWR. Het Hof weegt dit vraagstuk uitdrukkelijk af. Waar de inspecteur min of meer twee gelijkwaardige routes ter beschikking staan – de TIEA en de rechtstreekse benadering van belanghebbende – acht het Hof niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel meebrengt dat de inspecteur eerst, en wellicht zelfs uitsluitend, de TIEA-route had moeten benutten. Aan de andere kant kan evengoed worden verdedigd dat het de inspecteur vrij staat de voor hem meest geschikte weg te kiezen, of beide routes gelijktijdig te bewandelen. Sterker nog: juist de slotzin van artikel 4, lid 1, TIEA wijst er volgens het Hof op dat de inspecteur eerst andere wegen dient te bewandelen alvorens een beroep op de TIEA te doen – wat de exclusiviteitsgedachte van belanghebbende eerder ondergraaft dan ondersteunt. Na deze afweging komt het Hof niettemin tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg zou kunnen verkrijgen. Dit is slechts anders indien het optreden van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarvan in casu niet is gebleken. Ook een beroep op de goede verdragstrouw brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand.

De Hoge Raad onderschrijft dat oordeel. De in artikel 47 AWR neergelegde informatiebevoegdheid is niet territoriaal begrensd. Artikel 4 TIEA verplicht de inspecteur niet de gevraagde informatie bij uitsluiting via de Jersey-autoriteiten te verkrijgen. Het staat hem in beginsel vrij die informatie rechtstreeks bij de belastingplichtige op te vragen, ook wanneer zij langs verdragsrechtelijke weg zou kunnen worden verkregen. Een op territorialiteit gebaseerd beginsel dat zich daartegen verzet, bestaat niet. De overige klachten worden afgedaan met artikel 81 lid 1 Wet RO; het cassatieberoep is ongegrond, zonder proceskostenveroordeling.

Het arrest laat weinig ruimte voor de gedachte dat de inspecteur eerst de verdragsrechtelijke mogelijkheden tot informatie-uitwisseling moet benutten alvorens een beroep te doen op artikel 47 AWR. De TIEA biedt de inspecteur een aanvullende route om informatie te verkrijgen, maar geen exclusieve route. Hoewel het Hof en de Hoge Raad niet spreken over een uitputtingsvereiste, verwerpt het arrest wel impliciet de gedachte dat de inspecteur eerst de verdragsrechtelijke weg moet bewandelen voordat hij zijn nationale informatiebevoegdheden kan inzetten. Wie een informatiebeschikking wil aanvechten in een grensoverschrijdende zaak, zal het dus toch echt moeten zoeken in de zorgvuldigheid van het optreden zelf, het werkelijke doel van het verzoek, de manier waarop met de belastingplichtige is gecommuniceerd en niet in de enkele omstandigheid dat er een verdrag bestaat dat bij uitsluiting had kunnen worden gebruikt.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1016