Strafkamers en fiscale kwesties vormen niet altijd een gelukkig huwelijk. Dat blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2026. In een zaak over onjuiste aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting vernietigt de Hoge Raad de uitspraak (gedeeltelijk) en wijst de zaak terug, mede omdat Hof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte aan enkele fundamentele fiscale uitgangspunten voorbij is gegaan.

De zaak draait om een consultant die via verschillende vennootschappelijke structuren werkzaamheden verrichtte voor opdrachtgevers. Die opdrachten liepen via een recruitmentbureau, dat op basis van projectovereenkomsten de facturen betaalde aan een commanditaire vennootschap (CV) en later aan een besloten vennootschap (BV) waarmee de consultant was verbonden. In totaal ontving de CV volgens de vaststellingen van het Hof ruim € 917. 238,70 en ontving de BV in 2016 nog eens € 142.248.

De Belastingdienst stelde vervolgens vast dat deze bedragen niet waren terug te vinden in de aangiften zoals die waren ingediend. De verdachte had in zijn aangiften inkomstenbelasting slechts relatief beperkte looninkomsten vermeld, terwijl in de aangiften vennootschapsbelasting van de CV en de BV eveneens aanzienlijk lagere winsten waren opgenomen dan uit de ontvangen betalingen leek te volgen.

Volgens het Hof waren de door het recruitmentbureau betaalde bedragen daarom ten onrechte buiten de belastingheffing gebleven. Daarbij redeneerde het Hof dat de ontvangen bedragen winst van de vennootschappen voor de vennootschapsbelasting vormden en tegelijkertijd inkomsten van de verdachte voor de inkomstenbelasting. Het Hof baseerde zich daarbij op de gedachte dat de verdachte uiteindelijk de volledige zeggenschap en het economisch belang had bij de betrokken vennootschappen.

Dit klinkt praktisch, maar juist op dat punt grijpt de Hoge Raad in.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In de uitspraak ligt volgens de Hoge Raad besloten dat dezelfde bedragen winst vormden van de CV en BV voor de vennootschapsbelasting én tegelijkertijd het inkomen vormden van de verdachte voor de inkomstenbelasting. Dit is fiscaal niet mogelijk. Indien de gelden fiscaal door de vennootschap zijn genoten, kunnen diezelfde gelden niet ook voor hetzelfde bedrag rechtstreeks door de verdachte zijn genoten voor de inkomstenbelasting.

Daarmee vormt de uitspraak vooral een herinnering dat het enkele feit dat de zeggenschap en het economisch belang van de verdachte bij de onderneming van deze vennootschappen ligt, dit er niet automatisch voor zorgt dat de verdachte de rechtstreekse genieter is van alle inkomsten van de vennootschappen.

Maar de Hoge Raad is nog niet klaar.

Misschien nog opmerkelijker is de ambtshalve opmerking die volgt. Het Hof was tot een bewezenverklaring gekomen van het medeplegen van opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften vennootschapsbelasting ten name van de CV. Daarbij lijkt het Hof een essentiële vraag te zijn vergeten: was deze CV eigenlijk wel belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting?

Onder het destijds geldende recht waren uitsluitend open commanditaire vennootschappen belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter niet dat het Hof überhaupt heeft onderzocht of daarvan sprake was. De Hoge Raad merkt op dat uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid of de CV een open commanditaire vennootschap is, en dus ook niet of zij belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting.

Dit roept de vraag op hoe door het Hof is vastgesteld dat de aangiften vennootschapsbelasting onjuist zijn, wanneer niet vaststaat dat de betreffende vennootschap belastingplichtig was voor die belasting?

Waar het Hof vooral lijkt te hebben gekeken naar de zeggenschap en het economisch belang van de verdachte bij de vennootschappelijke structuren, herinnert de Hoge Raad eraan dat fiscale kwalificatie vooraf moet gaan aan bestraffing. Eerst moet de belastingplicht worden vastgesteld, waarna kan worden beoordeeld of een aangifte onjuist is geweest.

De uitspraak leest daardoor minder als een klassiek strafrechtelijk arrest en meer als een fiscale opfriscursus. Een opfriscursus die kennelijk nodig was.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1185