In de strafzaak tegen de voormalig CEO van Jumbo oordeelt de Rechtbank Noord-Nederland dat een bedrag van € 427.607,60 aan contant geld uit misdrijf afkomstig was, zonder dat een gronddelict werd vastgesteld. De rechtbank paste hiervoor het bekende zes-stappenplan toe, geïntroduceerd in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8488). Dit stappenplan vormt het juridische toetsingskader voor witwasverdenkingen bij onbekende gronddelicten.
Het stappenplan werkt kort samengevat als volgt: eerst moet worden vastgesteld dat er geen direct bewijs is voor een specifiek misdrijf. Daarna wordt beoordeeld of er een vermoeden van witwassen is. Vervolgens mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet zijn. Als dat lukt, ligt de vervolgstap bij het Openbaar Ministerie (OM): het moet de verklaring nader onderzoeken en, indien mogelijk, weerleggen. Wanneer als enige mogelijkheid resteert dat geld een criminele herkomst heeft kan veroordeling volgen.
In de Jumbo-zaak stelde de rechtbank zich opvallend kritisch op en verwierp zij vrijwel alle door de verdachte aangevoerde verklaringen. Dat gebeurde veelal op basis van detailverschillen, dan wel omdat ondersteunende documenten ontbraken. Daarmee lijkt de rechtbank de lat aanzienlijk hoger te leggen dan in eerdere uitspraken, waar een verklaring die ‘min of meer verifieerbaar’ was doorgaans als voldoende werd geaccepteerd.
Een vergelijking met andere uitspraken onderstreept dit verschil in benadering. Zo sprak de Rechtbank Limburg in ECLI:NL:RBLIM:2019:1483 een verdachte vrij, hoewel sprake was van tegenstrijdige verklaringen, omdat deze niet op voorhand onwaarschijnlijk waren en het OM onvoldoende concrete feiten aandroeg om het witwasvermoeden te onderbouwen. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:2047 dat een verklaring met wisselende elementen, maar wel ondersteund door stukken zoals omzetstaten en leningsovereenkomsten, voldoende kon zijn om vrijspraak te rechtvaardigen.
Deze zaken illustreren dat de kernvraag in de jurisprudentie steeds is of een verklaring min of meer verifieerbaar is – niet of zij sluitend bewijs oplevert. Tegen die achtergrond valt op dat het OM in de Jumbo-zaak de verklaringen van de verdachte zeer streng heeft getoetst, soms zelfs op detailniveau. Zo werd bijvoorbeeld twijfel geuit over het verschil in de hoogte van een lening, terwijl de verdachte in algemene zin verklaarde geld te hebben geleend. Getuigen bevestigden dat er daadwerkelijk contante bedragen zijn uitgeleend, ook al konden zij die niet tot op de laatste euro specificeren, of kwam dit bedrag hoger uit dan was ingeschat door de verdachte. Het vereiste is echter aannemelijkheid en verifieerbaarheid in hoofdlijnen, niet exact schriftelijk bewijs.
Daarmee rijst de vraag of het OM hier niet verder is gegaan dan het zes-stappenplan verlangt. Het verrichtte niet alleen onderzoek ter toetsing van de verklaring, maar leek daarnaast te verlangen dat de getuigen hun verklaringen met sluitend bewijs konden onderbouwen. Terwijl volgens het stappenplan slechts van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, in hoofdlijnen verifieerbare verklaring geeft. Dat komt dicht in de buurt van een omkering van de bewijslast, terwijl de jurisprudentie juist benadrukt dat het moet gaan om een min of meer verifieerbare verklaring.
Hoewel het zes-stappenplan de mogelijkheid biedt om zonder vastgesteld gronddelict tot een veroordeling te komen, lijkt de toepassing in deze zaak strenger en formeler te zijn dan noodzakelijk. In hoger beroep zal moeten blijken of het hof deze lijn vasthoudt, of juist meer gewicht toekent aan de bedoeling van het toetsingskader: dat van de verdachte slechts een plausibele en in hoofdlijnen verifieerbare verklaring mag worden verlangd. Mijn indruk is dat er goede redenen zijn om dit laatste uitgangspunt te volgen. Daarmee verschuift de kern van de discussie van de feitelijke invulling naar de principiële vraag waar de grens van ‘min of meer verifieerbaarheid’ moet worden getrokken.
