Aan belanghebbende – een B.V. die zich bezighield met het verhuren van onroerend goed – is over 22 september 2017 t/m 31 december 2018 een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd. De DGA sloot namens belanghebbende diverse huurcontracten en koopovereenkomsten. De DGA ontving in 2017 en 2018 van een payrollbedrijf loon van respectievelijk € 7.824 en € 27.106.  Het payrollbedrijf berekende deze loonkosten echter niet door aan belanghebbende. De inspecteur legt voor voornoemde periode een naheffingsaanslag loonheffing met betrekking tot het gebruikelijk loon op van € 13.210 alsmede een vergrijpboete van 50% ad €6.605.

Belanghebbende stelt in beroep bij Rechtbank Noord-Holland dat voor de DGA geen gebruikelijk loon hoefde te worden aangegeven, aangezien hij voor zijn werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende is verloond via een payrollbureau. Volgens de rechtbank heeft belanghebbende in het geheel evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de DGA voor zijn werkzaamheden voor belanghebbende verloond is via het payrollbedrijf en dat die loonkosten ten laste van belanghebbende zijn gekomen. De blote stelling dat de DGA voor zijn werkzaamheden voor belanghebbende is verloond door het payrollbedrijf is onvoldoende. De DGA stond volgens de rechtbank in een fictieve dienstbetrekking tot belanghebbende waardoor er in de jaren 2017 en 2018 ten minste een bedrag van € 45.000 aan loon in aanmerking dient te worden genomen, tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat een lager loon gebruikelijk is.

Belanghebbende heeft evenwel niet onderbouwd dat een lager gebruikelijk loon in aanmerking zou moeten worden genomen. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat bij haar sprake was van een langdurige verliessituatie die aanleiding zou kunnen geven om de gebruikelijk-loonregeling buiten toepassing te laten of om een lager gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Het feit dat belanghebbende het feitencomplex eerder aan de inspecteur heeft voorgelegd en dat de inspecteur akkoord is gegaan met de fiscale behandeling zodat er geen gebruikelijk loon bij belanghebbende in aanmerking dient te worden genomen, resulteert volgens de rechtbank niet in een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat zij aan enige uitlating het in rechte te beschermen vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de inspecteur instemde met de wijze waarop zij haar administratie heeft gevoerd, aldus de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur ter zake van de boete niet in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet. Belanghebbende heeft betwist op de hoogte te zijn geweest van de gebruikelijk-loonregeling en de inspecteur heeft niet bewezen dat dit wel zo was. Dat belanghebbende of de DGA zou zijn geïnformeerd over de gebruikelijk-loonregeling acht de rechtbank door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond. De rechtbank acht dit evenmin een feit van algemene bekendheid. Wel is de rechtbank van mening dat overtuigend is aangetoond dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om contact op te nemen met een belastingconsulent of met de inspecteur om te onderzoeken of zij aan haar fiscale verplichtingen voldeed. Er is echter niet gesteld of gebleken dat belanghebbende enige stap heeft ondernomen om de fiscale gevolgen in kaart te brengen of te ondervangen van het niet in aanmerking nemen van een gebruikelijk loon. Deze handelwijze van belanghebbende leidt tot de conclusie dat zij te lichtvaardig heeft gehandeld.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de vergrijpboete gegrond en matigt deze tot 25% wegens de vaststelling van grove schuld in plaats van opzet. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn stelt de rechtbank de vergrijpboete vast op € 2.806.

 

Rechtbank Noord-Holland 19 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:10744

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:10744