Eiseres is een Nederlandse vennootschap die behoort tot een internationaal opererend tabaksconcern. Een van de concernvennootschappen heeft factoringdiensten aan eiseres verricht. De daarvoor jaarlijks in rekening gebrachte factoring fee bevat een risicovergoeding ter dekking van het debiteurenrisico en een jaarlijkse vergoeding voor overige diensten. Voor de jaren 2013 t/m 2016 worden forse VPB-navorderingsaanslagen en boetes van € 1.614.709 (2014), € 363.205 (2015) en € 125.175.082 (2016) opgelegd. In geschil is de rechtmatigheid van de opgelegde navorderingsaanslagen en boetes. Meer specifiek ligt onder meer de vraag aan de rechtbank voor of in verband met een reorganisatie in 2016 overdrachtswinst in aanmerking had moeten worden genomen.

De rechtbank oordeelt dat eiseres overdrachtswinst in aanmerking had moeten nemen. Een Nederlandse concernvennootschap heeft namelijk haar ondernemingsactiviteiten op het gebied van de export van tabaksproducten, in het kader van de reorganisatie, overgedragen aan een concernvennootschap in het Verenigd Koninkrijk. De inspecteur heeft overtuigend aangetoond dat eiseres zich van deze overdracht bewust was en dat zij ervan op de hoogte was dat de overdracht een zeer substantiële waarde vertegenwoordigde. Het is buiten redelijke twijfel dat het een bewuste keuze is geweest om geen enkele winst te begrijpen in het belastbare bedrag dat eiseres zelf heeft aangegeven. Eiseres heeft in verband met de overdracht van de ondernemingsactiviteiten opzettelijk een winst van bijna € 1,7 miljard buiten haar VPB-aangifte gehouden.

Aan eiseres zijn boetes opgelegd vanwege het opzettelijk toepassen van een onjuiste verrekenmethode met betrekking tot de factoring fees van € 348.240 (2014), € 353.205 (2015) en € 165.082 (2016). De rechtbank oordeelt dat eiseres moet hebben geweten dat het werkelijk gelopen incassorisico aanzienlijk geringer was dat het incassorisico waar de risicovergoeding op is gebaseerd en dat de factoringwerkzaamheden administratief van aard zijn. Van een pleitbaar standpunt is volgens de rechtbank geen sprake en derhalve acht zij de boetes passend en geboden, zij het dat deze wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast zijn aan eiseres boetes opgelegd wegens het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften. De rechtbank stelt voorop dat uit het feit dat is voldaan aan het bewustheidsvereiste voor omkering en verzwaring niet volgt dat tevens is voldaan aan de vereisten voor het aannemen van opzet en dat verweerder opzet onvoldoende heeft onderbouwd zodat die boetes dienen te vervallen.

Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de boete in verband met de overdracht van ondernemingsactiviteiten dat overtuigend is aangetoond dat eiseres zich van deze overdracht bewust was en dat zij ervan op de hoogte was dat de overdracht een zeer substantiële waarde vertegenwoordigde. Naar het oordeel van de rechtbank is het buiten redelijke twijfel dat het een bewuste keuze is geweest om geen enkele winst te begrijpen in het belastbare bedrag dat eiseres zelf heeft aangegeven. De rechtbank concludeert dat eiseres opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan en dat de opzet erop gericht was dat te weinig belasting zou worden geheven. Van een pleitbaar standpunt is geen sprake. De rechtbank concludeert verder dat eiseres in verband met de overdracht van de ondernemingsactiviteiten opzettelijk een winst van bijna € 1,7 miljard buiten haar aangifte vennootschapsbelasting heeft gehouden. De boete wordt verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn en wordt vastgesteld op € 106 miljoen.

De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Zij vernietigt de navorderingsaanslag 2013 en vermindert de VPB-navorderingsaanslagen 2014 t/m 2016. Daarnaast vermindert zij de boetebeschikkingen tot € 278.592 (2014), € 282.564 (2015) en € 106.382.065 (2016).

 

Rechtbank Noord-Holland 15 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:12635

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:12635