De conclusie van de Procureur-Generaal (P-G) Koopman in deze zaak draait om de uitleg van het arrest van 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK8288. Wanneer een aanslag is opgelegd aan een rechtspersoon die niet meer bestaat, kan volgens dit arrest bezwaar worden gemaakt ‘door of namens de voormalige vereffenaar (…) op naam van de ontbonden rechtspersoon’. In deze zaak stond de vraag centraal in hoeverre een latere bekrachtiging door een voormalige vereffenaar een gebrek in de oorspronkelijke machtiging kan herstellen. De casus illustreert een spanningsveld tussen formele vereisten (wie mag bezwaar maken?) en materiële rechtsbescherming (voorkomen dat aanslagen aan rechterlijke toetsing ontsnappen).

In dit geval is bezwaarschrift is ingediend door belastingadvieskantoor [B], namens een niet meer bestaande Coöp. In hoger beroep en in cassatie treedt de voormalige vereffenaar van de Coöp op. Die voormalige vereffenaar wordt aangeduid als belanghebbende. In de beroepsfase van het geding heeft [B] een verklaring van de bestuurders van belanghebbende overgelegd waarin zij bekrachtigen dat [B] bevoegd was om namens belanghebbende in haar capaciteit van voormalig vereffenaar bezwaar te maken op naam van de Coöp. Het hof heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift is ingediend “namens de in hoofde genoemde cliënt” en de Coöp is aangeduid als “belanghebbende”. In het bezwaarschrift is volgens het hof niet te lezen dat (mede) bezwaar zou zijn gemaakt door of namens de voormalige vereffenaar

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hebben cassatieberoep aangetekend tegen de uitspraak van het hof. Belanghebbende bestrijdt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, en de Staatssecretaris betoogt dat het hof ten onrechte het beroep wel ontvankelijk heeft geacht.

Na een analyse van de feiten en de toepasselijke rechtspraak in dit kader, concludeert de P-G dat bezwaar is gemaakt én beroep is ingesteld door de belastingplichtige; de niet meer bestaande Coöp. Namens die belastingplichtige heeft de voormalige vereffenaar zowel in bezwaar (zij het door bekrachtiging) als in beroep [B] ingeschakeld als gemachtigde. Alvorens beroep in te stellen heeft de Coöp dus bezwaar gemaakt, zodat voldaan is aan de in art. 7:1(1) Awb gestelde voorwaarde. De niet-ontvankelijkheid door het hof is volgens de P-G aldus ten onrechte.

Dit is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2003:

Indien voordat de vereffening is heropend door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken omdat hij een uitkering heeft ontvangen uit hetgeen na de voldoening van de schuldeisers van het vermogen van een ontbonden rechtspersoon was overgebleven, op naam van de ontbonden rechtspersoon tegen die aanslag een bezwaarschrift is ingediend, dient niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar met overeenkomstige toepassing van artikel 6:10 Awb achterwege te blijven.”

Het bezwaar kan aldus worden gemaakt op naam van de ontbonden rechtspersoon door of namens de voormalige vereffenaar of degene wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken. De woorden ‘op naam van de ontbonden rechtspersoon’ betekent in de optiek van de P-G dat die ontbonden rechtspersoon formeel de bezwaargerechtigde is en blijft, en dat de voormalige vereffenaar namens die rechtspersoon kan optreden. Die vereffenaar is dus niet zelf belanghebbende bij de aanslag, maar vertegenwoordigt de niet meer bestaande rechtspersoon. De positie van de voormalige vereffenaar is in zoverre vergelijkbaar met die van de bestuurder van een nog wel bestaande rechtspersoon.

Een latere bekrachtiging kan een gebrek in de oorspronkelijke machtiging herstellen, mits het bezwaar op naam van de ontbonden rechtspersoon is gemaakt. De vraag of een volmacht is verleend moet volgens het arrest van de Hoge Raad 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243, worden beantwoord aan de hand van maatstaven van art. 3.33 en 3:35 BW:

4.2 (…) De vraag of een volmacht is verleend, en zo ja, met welke inhoud, dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:33 en 3:35 BW. Het komt daarbij derhalve aan, kort gezegd, op hetgeen partijen (de volmachtgever en de gevolmachtigde) over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend. (…)”

Zou de rechtspersoon nog wel hebben bestaan en [B] had zonder toereikende machtiging bezwaar gemaakt namens die rechtspersoon, dan zou een bekrachtiging door een daartoe bevoegde bestuurder moeten inhouden dat hij of zij namens de rechtspersoon de handeling van [B] bekrachtigt. Nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan treedt de voormalige vereffenaar in de plaats van het bestuur, en is het die vereffenaar die namens de rechtspersoon de handeling kan bekrachtigen. Dat is precies – zoals ook de P-G in de conclusie is benoemd – wat de door belanghebbende ondertekende bekrachtiging inhoudt: Belanghebbende bekrachtigt in haar hoedanigheid van voormalig vereffenaar van de Coöp dat [B] bevoegd was om bezwaar te maken namens de Coöp.

Zolang duidelijk is dat de vereffenaar instemt en het bezwaar op naam van de ontbonden rechtspersoon is ingediend, moet ontvankelijkheid worden aangenomen. Dit is in lijn met het juridisch kader en biedt effectieve rechtsbescherming.

Wij verwachten dan ook dat de Hoge Raad deze conclusie van de P-G zal volgen.

De P-G overweegt nog dat sommige vereisten voor het in behandeling nemen van een bezwaar of beroep zich niet lenen voor herstel, zo kan een overschrijding van de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel niet ongedaan worden gemaakt. Het hof zou niet verplicht zijn geweest om gelegenheid tot herstel te bieden, omdat de wijziging van de identiteit van de insteller van het rechtsmiddel niet meer mogelijk is. Dit is juist, maar roept de vraag op waarom een dergelijke voorziening niet (toch) zou kunnen worden geboden in gevallen waarin de rechtspersoon is opgehouden te bestaan en sprake is van andere partijen wiens belang rechtstreeks bij de vereffening is betrokken. Dit zou immers in gevallen kunnen voorkomen dat belastingaanslagen een rechterlijke toetsing worden onthouden.

Voor de praktijk geldt, zo laat deze zaak zien: formaliteiten zijn cruciaal, want een beroep op bekrachtiging is geen waterdichte oplossing.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1159