Een recente uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant draaide om de vraag of de inspecteur het hoorrecht en het daarmee samenhangende inzagerecht in bezwaar had geschonden. Hoewel de correcties van specifieke zorgkosten en giften in stand blijven en ook de in rekening gebrachte belastingrente niet wordt gematigd, leidt de schending van het hoorrecht tot gegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende claimde aftrek van specifieke zorgkosten en giften. De inspecteur corrigeerde echter bij het opleggen van de aanslag zowel de hoogte van de zorgkosten als de giftenaftrek. In bezwaar komt de inspecteur belanghebbende gedeeltelijk tegemoet en staat hij alsnog een deel van de zorgkosten en de giftenaftrek toe. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar is belanghebbende echter niet gehoord. Hoewel de inspecteur belanghebbende in een vooraankondiging de mogelijkheid bood om een hoorgesprek te vragen, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende. Wanneer niet duidelijk is of een belanghebbende wíl worden gehoord, rust op de inspecteur de plicht om dat actief te verifiëren. Doet hij dat niet, dan is het hoorrecht geschonden. Dat belanghebbende later – na de uitspraak op bezwaar – alsnog een gesprek heeft gehad met de inspecteur, brengt daarin geen verandering; dit kan immers niet worden aangemerkt als het horen in de zin van artikel 7:2 Awb.

Interessant is dat de rechtbank de schending niet met artikel 6:22 Awb passeert. Daarvoor is vereist dat aannemelijk is dat belanghebbende door de schending niet is benadeeld. De rechtbank benadrukt echter dat er tijdens de bezwaarfase nog onduidelijkheid bestond over de feiten, in het bijzonder over de onderbouwing van de zorgkosten. In een dergelijke situatie is het horen wél van betekenis en kan de schending niet zonder meer als een vormfout worden gepasseerd. De rechtbank volgt daarmee de vaste lijn in de jurisprudentie dat het hoorrecht in bezwaar niet slechts een formaliteit is, maar een wezenlijk instrument om de besluitvorming volledig en zorgvuldig te laten verlopen.

Op inhoudelijk niveau blijven alle correcties van de inspecteur in stand. Belanghebbende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de gestelde medicatiekosten voldoen aan de wettelijke voorwaarden; de overgelegde kwitantie en algemene informatie over zijn medische situatie zijn daarvoor onvoldoende. Ook de geclaimde extra vervoerskosten vinden geen steun in de feiten. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag al rekening gehouden met een ruimere aftrek dan het verschil tussen de werkelijke vervoerskosten en de kosten van de ‘maatman’, zodat belanghebbende niet kan worden gevolgd in zijn conclusie dat hij recht heeft op een (nóg) hogere aftrek.

Ook ten aanzien van de belastingrente blijft de rechtbank bij het wettelijk kader: de aanslag is binnen de wettelijke termijn van drie jaar opgelegd en dat belanghebbende de behandelduur lang heeft ervaren, leidt niet tot matiging. Het beroep op artikel 6 EVRM biedt evenmin soelaas. De verwijzing naar een uitspraak van Rechtbank Noord‑Nederland verandert dat niet, nu de Hoge Raad in januari 2026 duidelijk heeft bevestigd dat het heffen van belastingrente niet in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel enkel omdat de inspecteur de wettelijke beslistermijn volledig benut.

De inhoudelijke geschilpunten stranden, maar de procedurele schending maakt het beroep toch gegrond. Aangezien beide partijen hebben verzocht om voortzetting van de procedure bij de rechtbank, ziet de rechtbank af van terugwijzing naar de inspecteur. Dat is pragmatisch en past bij de lijn in de rechtspraak om terugwijzing alleen te gelasten wanneer dat procesrechtelijk noodzakelijk is.

Deze uitspraak onderstreept opnieuw dat het hoorrecht in de bezwaarfase een harde norm is. Zeker in situaties waarin de feiten nog in beweging zijn, of waarin het bestuursorgaan nog nadere informatie bespreekt met de belanghebbende, kan niet worden volstaan met een enkele uitnodiging tot horen. Het bestuursorgaan moet waar nodig actief verifiëren of een belanghebbende gebruik wil maken van zijn recht om te worden gehoord.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:570