In een interessant recent arrest bevestigt de Hoge Raad op procedureel strakke wijze de centrale rol van de beschikking in de 30%-regeling en trekt daarbij een duidelijke grens om via een geschil over inhouding van loonheffingen alsnog de verkorting van de maximale looptijd van die regeling aan te vechten. De uitspraak past in de reeks proefprocedures over het Belastingplan 2019, maar is vooral relevant vanwege het oordeel dat een onherroepelijke 30%-beschikking beslissend is voor de toepasselijkheid van de regeling, ongeacht de principiële bezwaren die tegen de wetswijziging worden aangevoerd.
Belanghebbende was uit het buitenland aangeworven en beschikte sinds 2012 over een 30%-beschikking met een looptijd tot 30 november 2021, in overeenstemming met de destijds geldende maximale looptijd van tien jaar. In die beschikking was expliciet vermeld dat de regeling gold onder voorbehoud van wijzigingen in wet- en regelgeving. Naar aanleiding van het Belastingplan 2019 werd de maximale looptijd van de 30%-regeling per 1 januari 2019 verkort tot vijf jaar, met een beperkte overgangsregeling die ertoe leidde dat de regeling voor belastingplichtigen in een positie als die van belanghebbende uiterlijk per 31 december 2020 eindigde.
Na een wisseling van werkgever kreeg belanghebbende in januari 2020 een nieuwe 30%-beschikking, met een looptijd tot en met 31 december 2020. Tegen deze tweede beschikking werd destijds geen bezwaar aangetekend. Met ingang van 1 januari 2021 paste de nieuwe werkgever de 30%-regeling niet langer toe bij de inhouding van loonheffingen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat hij recht had op toepassing van de regeling tot 30 november 2021, conform de oorspronkelijke beschikking uit 2012, en dat de wetswijziging en het daarbij behorende overgangsrecht onrechtmatig waren wegens strijd met algemene rechtsbeginselen en diverse verdragsbepalingen, waaronder artikel 1 EP EVRM.
De rechtbank kwam niet toe aan de vraag of de tweede beschikking onherroepelijk was, maar oordeelde inhoudelijk dat de overgangsregeling niet in strijd is met de aangevoerde rechtsbeginselen en verdragsbepalingen. Hof Amsterdam koos echter een andere invalshoek en beperkte zich tot het beschikkingenstelsel. Volgens het hof is een beschikking op grond van artikel 10ei UBLB een constitutief vereiste voor toepassing van de 30%-regeling. Nu de tweede beschikking onherroepelijk vaststond en daarin uitdrukkelijk was bepaald dat de regeling eindigde per 31 december 2020, kon de 30%-regeling voor latere tijdvakken geen toepassing meer vinden. Daarmee was het geschil volgens het hof beslist en behoefden de principiële bezwaren tegen de wetswijziging geen bespreking meer.
De Hoge Raad laat dit oordeel in stand. Het cassatiemiddel, dat zich richtte tegen de benadering van het hof, faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat‑Generaal. Daarmee bevestigt de Hoge Raad impliciet dat het beschikkingenstelsel van de 30%-regeling meebrengt dat de rechtspositie van de belastingplichtige in beginsel wordt bepaald door de inhoud van de (laatste) beschikking, zolang deze onherroepelijk is geworden.
De Hoge Raad komt niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de verenigbaarheid van de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling met het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of het eigendomsrecht van artikel 1 EP EVRM. Die discussie wordt in deze zaak feitelijk afgesneden doordat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de tweede 30%-beschikking. Daarmee onderstreept het arrest dat de mogelijkheid om principiële bezwaren tegen wetgeving of overgangsrecht geldend te maken, in sterke mate afhankelijk is van tijdig procederen tegen beschikkingen die de concrete toepassing van die wetgeving vormgeven. Voor de praktijk een duidelijke waarschuwing: wie het niet eens is met de looptijd in een 30%-beschikking, moet daartegen tijdig opkomen – anders is het debat gesloten.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:124
