Rechtbank Overijssel heeft de verdachte (gelieerde) (rechts)personen in deze strafzaak veroordeeld wegens (feitelijk leidinggeven aan) het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Eén rechtspersoon is geen straf opgelegd, omdat de rechtbank de hoogte van het nadeel niet kon vaststellen en de fraude slechts voor één kwartaal kon worden bewezen. Een andere rechtspersoon werd veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 54.000. De twee natuurlijke personen werden beiden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
De verdediging stelde zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste, dan wel dat sprake is van een pleitbaar standpunt. In dat verband werd onder meer aangevoerd dat bepaalde kosten wel zakelijk waren en dat opzet ontbrak. Ook werd aangevoerd dat het merendeel van de kosten wel op juiste wijze doorbelast waren aan de (medeverdachte) vennootschappen.
De rechtbank stelde vast dat bepaalde privékosten ten onrechte zakelijk zijn geboekt en dat daartoe valse facturen zijn opgemaakt. De rechtbank ging voorbij aan het betoog van de verdediging dat, hoewel de omschrijvingen op de facturen niet klopten, wel recht bestond op aftrek van voorbelasting voor de facturen die zien op een deel van de tuinaanleg, nu de tuin deels voor zakelijke doeleinden werd gebruikt. Het recht op fiscale aftrek van een deel van de kosten van de tuinaanleg, kan in potentie enkel aan de orde zijn als een aangifte wordt gebaseerd op facturen die overeenstemmen met de werkelijkheid, aldus de rechtbank.
De rechtbank maakt verder korte metten met het betoog dat sprake zou zijn van een pleitbaar standpunt, nu het verweer niet ziet op een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht. Ook oordeelt zij dat aan het strekkingsvereiste is voldaan, nu dit vereiste niet als voorwaarde stelt dat daadwerkelijk te weinig belasting is of wordt geheven. Van belang is of de bewuste gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven. De gedragingen van de verdachte, onder andere bestaande uit de verwerking van valse facturen in de aangiften, het onjuist of niet boeken van doorbelaste kosten en het niet opgeven van omzet van de facturen ten aanzien van die kosten, zijn geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Opvallend is wel dat ten aanzien van bepaalde kwartalen de Belastingdienst heeft aangekondigd, zonder enige toelichting, de naheffing omzetbelasting terug te draaien. Als gevolg daarvan kon de rechtbank de onjuistheid van die aangiften niet vaststellen.
De rechtbank leidt, onder meer, uit het verweer van de raadsman af dat de administratie niet op orde was en concludeert dat daarmee op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de aangiften onjuist en onvolledig werden ingediend. Dat later alsnog een suppletieaangifte is gedaan doet daar niet aan af, nu deze is ingediend nadat de Belastingdienst het boekenonderzoek had aangekondigd.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:7274
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:7276
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:7277
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:7278
