Recent is een interessante uitspraak gewezen in het kader van een verzoek tot openbaarmaking van overheidsdocumenten op basis van de Wet Open Overheid (hierna: Woo). In deze zaak wordt duidelijk afgebakend hoe ver een verzoeker moet gaan in het ‘documentgericht’ formuleren van een Woo-verzoek. In maar een beperkt aantal dossiers – met name waar al eerder Wob/Woo-verzoeken zijn gedaan of waar bekend is welke stukken bestaan – kan een verzoek zodanig worden gespecificeerd dat een lijst van concrete documenten wordt opgenomen. Nadien kan de discussie ontstaan dat méér documenten hadden moeten worden vrijgegeven.
In deze zaak ontstaat ook een discussie over de reikwijdte van het verzoek. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat – ook als een verzoek uitsluitend naar documenten verwijst – het bestuursorgaan moet kunnen vaststellen op welke aangelegenheid het verzoek ziet. De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar artikel 4.1 van de Woo en de wetsgeschiedenis van de Wob, de voorganger van de Woo. Artikel 4.1, vierde lid, van de Woo bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid “of” het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen, moet vermelden. De rechtbank volgt de verzoekster niet in haar betoog dat uit de tien genoemde documenten voldoende blijkt over welke aangelegenheid (nog meer) informatie openbaar gemaakt moet worden. Het woord “of” in art. 4.1, vierde lid, van de Woo biedt dus geen vrijbrief om de inhoudelijke afbakening geheel los te laten. Het document is geen alternatief voor de aangelegenheid, maar hooguit een manier om die impliciet aan te duiden.
De Afdeling sluit hiermee expliciet aan bij de Wob-jurisprudentie en benadrukt de continuïteit. Dat is op zichzelf niet verrassend, maar wel relevant omdat in de praktijk regelmatig wordt betoogd dat de Woo – met het schrappen van het begrip “bestuurlijke aangelegenheid” – een ruimere (laagdrempelige) toegang heeft willen bieden. Deze uitspraak tempert die gedachte. Een verzoek moet dus concrete richting geven aan de zoekslag van het bestuursorgaan.
Voor de praktijk betekent dit de aard van het document in grote mate bepalend is. Indien uit de titel of inhoud van het document rechtstreeks en eenduidig de aangelegenheid volgt, volstaat het noemen daarvan. Dat is precies waarom appellante hier wél succes had voor document 1 (“verzoek tot overleg STIOG”): de (concrete) aangelegenheid lag namelijk besloten in (de titel van) het document zelf. Voor de overige documenten (“verslagen”) gaat dat mis. Verslagen kunnen meerdere onderwerpen beslaan en uit de naam daarvan kan niet worden afgeleid over welke aangelegenheden het verslag allemaal gaat. Die documenten lenen zich dus minder goed voor een impliciete afbakening. Dat is een belangrijk signaal: hoe generieker het documenttype, hoe groter de kans dat een verzoek vastloopt op het ontbreken van een expliciete aangelegenheid.
Vanuit processtrategie is dat cruciaal. Wie uitsluitend documenten noemt zonder nadere inkadering, loopt twee risico’s. Ten eerste kan het bestuursorgaan de reikwijdte zelf invullen. Dit gebeurde in deze zaak doordat het bestuursorgaan aansluiting zocht bij een ouder Wob-verzoek. Ten tweede kan het bestuursorgaan – en uiteindelijk de rechter – oordelen dat het verzoek te onbepaald is, waarna een substantieel deel van de beoogde informatie buiten beeld blijft. Het lastige is evenwel dat in de meeste gevallen de op te vragen documenten niet specifiek kunnen worden omschreven en benoemd, omdat de aanvrager niet (zeker) weet van het bestaan. Een tweesporenaanpak is dan een veilige weg: het noemen van specifieke documenten voor zover bekend, alsook expliciet de onderliggende aangelegenheid te vermelden, eventueel in brede bewoordingen.
Tegelijkertijd biedt de uitspraak ook perspectief. De Afdeling benadrukt namelijk dat het bestuursorgaan actief moet doorvragen als de aangelegenheid onvoldoende duidelijk is. Een passieve afwijzing (“u heeft geen aangelegenheid genoemd”) volstaat niet. In de praktijk kan aldus – bij een discussie over de reikwijdte – worden gewezen op deze onderzoeksplicht.
https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:5734
