Het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2025 vormt opnieuw een illustratie van de strenge lijn in de post‑Keskin‑jurisprudentie: als een belastende getuige niet kan worden ondervraagd, moet de rechter actief toetsen of het proces als geheel nog eerlijk is. In deze zaak schiet het hof tekort, niet alleen door het verzoek tot horen te summier af te wijzen, maar ook doordat het heeft nagelaten de procespositie van de verdediging te wegen.

De verdachte in deze zaak is vervolgd voor internationale dating- en investeringsfraude, waaronder oplichting en gewoontewitwassen. In hoger beroep acht het hof Amsterdam bewezen dat verdachte een actieve rol vervulde in een internationaal oplichtingsnetwerk. Het hof komt tot een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van €150.000.

In cassatie worden diverse klachten aangevoerd, met een interessant tweede middel: de afwijzing van een verzoek tot het horen van twee aangeefsters van wie belastende verklaringen voor de bewezenverklaring zijn gebruikt. De verdediging had, zowel in de appelschriftuur als ter terechtzitting op 27 juni 2018, verzocht deze getuigen te horen. Hun verklaringen betroffen een wezenlijk onderdeel van de bewijsconstructie ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen en waren expliciet betwist.

Desondanks wees het hof het verzoek af omdat drie andere aangevers met ‘soortgelijke’ verklaringen reeds waren gehoord en achtte die verklaringen “voldoende representatief” voor het geheel. Het hof oordeelt dat er geen wezenlijk andere verklaringen te verwachten waren van de niet‑gehoorde aangevers en zag daarmee geen reden om het ondervragingsrecht alsnog toe te kennen. De verklaringen van de niet‑gehoorde getuigen zijn vervolgens wel voor het bewijs gebruikt.

De Hoge Raad acht de afwijzing “niet zonder meer begrijpelijk” en herhaalt de vaste jurisprudentie sinds HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576. Wanneer een belastende, betwiste verklaring voor het bewijs wordt gebruikt zonder dat de verdediging de getuige heeft kunnen ondervragen, wordt van de rechter verlangd dat deze expliciet beoordeelt: óf het horen van de getuige noodzakelijk is, én óf de procedure als geheel nog voldoet aan de eisen van een eerlijk proces zoals deze voortvloeien uit artikel 6 EVRM.

Het hof heeft geen van beide toetsen zichtbaar verricht. Deze uitspraak past in een bredere ontwikkeling waarin de Hoge Raad de waarborgen van artikel 6 EVRM strikt bewaakt. De kern van de redenering is eenvoudig: een verdachte moet in beginsel belastende getuigen kunnen ondervragen. Indien dat niet kan, moet de rechter aantonen dat compenserende waarborgen bestaan die een eerlijk proces toch verzekeren. Het begrip ‘representativiteit’ dat het hof hanteert, is in bewijsrechtelijke zin problematisch. Het vervult geen rol in de artikel 6 EVRM‑toets en miskent dat het ondervragingsrecht persoonlijk en concreet is: de verdediging mag vragen stellen aan de getuige die over haar cliënt belastend verklaart, niet slechts aan een vergelijkbare getuige. Dat het hof mogelijk beoogde om een omvangrijk en logistiek complex getuigenverhoor te beperken, maakt dit niet anders. Efficiency‑overwegingen gaan niet boven fundamentele rechten.

Een tweede relevant onderdeel betreft de processuele ontvankelijkheid van de cassatieklacht. In hoger beroep was het onderzoek na de regiezitting van 2018, waar het verzoek werd afgewezen, in 2022 opnieuw aangevangen wegens een gewijzigde samenstelling van het hof. Het verzoek tot het horen van de getuigen is toen niet herhaald.

Het Openbaar Ministerie heeft soortgelijke situaties wel eens verdedigd dat het niet‑herhalen van een verzoek leidt tot verlies van een belang bij cassatie. De Hoge Raad maakt hier een belangrijk processueel punt: ook wanneer het onderzoek ter terechtzitting na een regiezitting opnieuw wordt aangevangen – en het getuigenverzoek op dat moment niet wordt herhaald – blijft cassatie over die eerdere afwijzing in beginsel mogelijk. Artikel 322 lid 4 Sv biedt dus ruimte om in cassatie te klagen over een beslissing op een eerdere terechtzitting. Daarmee kan een afwijzing van een getuigenverzoek gedaan op een eerdere terechtzitting ook in cassatie kan worden bestreden, ook al is het onderzoek later opnieuw aangevangen én het verzoek toen niet is herhaald. Het belang bij cassatie vervalt alleen wanneer de eerdere beslissing kenbaar voorlopig was – bijvoorbeeld omdat de rechter tijdens de eerdere zitting uitdrukkelijk aangaf pas op een later moment, bij een inhoudelijke behandeling, de belangen volledig te kunnen wegen en hij het verzoek nog onvoldoende kon beoordelen. Hiervan was in deze zaak geen sprake, nu het hof het verzoek definitief had afgewezen, zonder voorbehoud. Om die reden behield de verdediging haar belang bij de klacht in cassatie.

Deze verduidelijking is relevant voor de praktijk, omdat regiezittingen in omvangrijke zaken veelal worden gebruikt voor beslissingen over getuigenverzoeken. Rechters zullen expliciet(er) moeten vastleggen of een afwijzing voorlopig of definitief is, teneinde discussie in cassatie te voorkomen.

Interessant is bovendien dat dat het belang van processuele finaliteit geen onnodige belemmering mag zijn voor EVRM‑gerelateerde cassatieklachten. Door het ruime bereik van artikel 322 lid 4 Sv te bevestigen, benadrukt de Hoge Raad dat verweren rondom het ondervragingsrecht met terugwerkende kracht toetsbaar moeten blijven zolang een eerdere afwijzing niet kenbaar ‘voorlopig’ is geweest.

Deze zaak laat zien dat zowel het Openbaar Ministerie als rechters zorgvuldig moeten omgaan met de beoordeling van getuigenverzoeken in omvangrijke strafzaken. Wanneer — zoals hier — talrijke buitenlandse aangevers belastend verklaren, maar feitelijke ondervraging in de praktijk niet of nauwelijks mogelijk is, ligt het voor de hand dat het Openbaar Ministerie kiest voor een beperktere tenlastelegging en vooraf selectie maakt van aangevers met een reële kans op getuigenverhoor of het hof in de motivering van de afwijzing duidelijk aangeeft hoe de waarborgen van artikel 6 EVRM zijn gewaarborgd.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1924