Belanghebbende heeft voor een cliënt aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting ingediend. Ter zake van deze verrichtte diensten heeft belanghebbende facturen met omzetbelasting uitgereikt. Saillant detail is dat cliënt sinds 2006 de facturen niet meer betaalt, en dat de laatste facturen dateren van 2017. In 2019 verzoekt belanghebbende om teruggave van de omzetbelasting van de nog openstaande vorderingen. Het verzoekschrift wordt door de Inspecteur aangemerkt als bezwaarschrift tegen de voldoening op aangifte voor het derde kwartaal van 2018 en dit bezwaar nadien niet-ontvankelijk verklaard. Uit de beslissing op bezwaar kan worden opgemaakt dat het verzoek betrekking heeft op het tijdvak 2001-2017.
In de beslissing op bezwaar wordt het verzoek tot teruggaaf niet-ontvankelijk verklaard nu de wetgeving inzake de teruggaaf van de omzetbelasting per 1 januari 2017 is gewijzigd. Op grond van deze wijziging had belanghebbende geen verzoek om vermindering moeten doen, maar om teruggaaf moeten verzoeken in zijn voldoening op de aangifte. Belanghebbende heeft dat verzoek niet gedaan, als gevolg waarvan het verzoek wordt aangemerkt als bezwaar tegen de voldoening op de aangifte. Dat mag belanghebbende echter niet baten, nu de termijn van 6 weken voor het bezwaar reeds was verlopen toen hij het als bezwaar aangemerkte verzoek tot teruggaaf aan de Inspecteur zond. De Inspecteur is niet overgegaan tot ambtshalve vermindering.
De rechtbank oordeelt dat de Inspecteur terecht het verzoek tot teruggaaf heeft aangemerkt als bezwaarschrift tegen de voldoening op aangifte. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel door belanghebbende, heeft belanghebbende volgens de rechtbank – na betwisting van de stelling van belanghebbende door de inspecteur – niet nader met feiten onderbouwd.
Ten aanzien van de tijdigheid van het bezwaar “is van belang in welk tijdvak het recht op teruggaaf is ontstaan.” Noch de brief van belanghebbende waarin wordt verzocht om de teruggaaf noch uit de toelichting op zitting door de gemachtigde van belanghebbende kan de rechtbank niet afleiden in welk tijdvak het recht op teruggaaf is ontstaan. De rechtbank volgt de inspecteur in zijn standpunt dat het bezwaar betrekking moet hebben op Q3 van 2018. De laatste facturen dateren van 9 augustus 2017 en zijn conform de factuur opeisbaar op 7 september 2017. Het recht op teruggaaf is deswege ontstaan op uiterlijk 7 september 2018: één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden (artikel 29, tweede lid, van de Wet OB zoals deze gold vanaf 1 januari 2017). In haar aangifte van Q3 had belanghebbende aldus om vermindering kunnen verzoeken. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Een herstelmogelijkheid lag in de bezwaarprocedure, maar de bezwaartermijn was reeds verlopen.
Ten aanzien van de brief van november 2018 die de gemachtigde van belanghebbende persoonlijk heeft overhandigd aan het belastingkantoor, oordeelt de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt “dat de inspecteur de brief met dagtekening ‘november 2018’ in november 2018 heeft ontvangen, zodat het bezwaar pas buiten de bezwaartermijn is ontvangen.”
Voor de facturen van vóór 1 januari 2017 oordeelt de rechtbank dat het belanghebbende reeds in 2008 had moeten beseffen dat de facturen niet meer zouden worden voldaan. De facturen werden immers sinds 2006 niet meer betaald. Desalsniettemin is tot en met 2017 door belanghebbende gefactureerd. De teruggaaf verzoeken had belanghebbende daarom reeds eerder moeten doen. Deze verzoeken liggen zijn veel te laat gedaan.
De termijnoverschrijding is volgens de rechtbank niet verschoonbaar. Onvolkomenheden in de kantoorvoering van de gemachtigde komen voor risico en rekening van belanghebbende. De beslissing niet over te gaan tot ambtshalve vermindering is voor de omzetbelasting niet aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikking. Over die beslissing laat de rechtbank zich deswege niet uit.
De rechtbank sluit nog af met een overweging ten overvloede. De rechtbank overweegt “dat de inspecteur de brief met dagtekening ‘november 2018’ in november 2018 heeft ontvangen, zodat het bezwaar pas buiten de bezwaartermijn is ontvangen”. Tot toepassing van artikel 8:69 Awb komt de rechtbank echter niet, nu de gemachtigde van belanghebbende dit onderdeel onderbelicht heeft gelaten en niet duidelijk had op welke tijdvakken het teruggaveverzoek betrekking heeft.
ECLI:NL:RBNNE:2025:4437, Rechtbank Noord-Nederland, LEE 25/254
