Advocaat-Generaal (A-G) Koopman heeft een conclusie genomen in een zaak waarin  twee broers, ieder voor 50% aandeelhouder en bestuurder van een uitzendbureau, strafrechtelijk zijn veroordeeld voor (onder meer) het opzettelijk leiding geven aan opzettelijk onjuist gedane aangiften loonheffingen. Vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur zijn zij als bestuurders aansprakelijk gesteld voor (onder meer) een vergrijpboete die aan het uitzendbureau is opgelegd wegens het opzettelijk betalen van een te laag bedrag aan loonheffingen. Deze zaak gaat over de aansprakelijkstelling. In het bijzonder gaat de zaak over de vraag of met de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete een tweede keer is bestraft voor hetzelfde feit.

De Hoge Raad (10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:185) heeft in deze procedure al eerder arrest gewezen en de zaak verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof (18 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1602) heeft (ambtshalve) geoordeeld dat de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete moet worden vernietigd vanwege schending van het una via-beginsel, zoals neergelegd in artikel 5:44 Awb.

A-G Koopman beschrijft in zijn conclusie de relevante criteria van het una via-beginsel. Het draait daarbij onder meer om de vraag of dezelfde persoon wordt bestraft en of de sancties betrekking hebben op hetzelfde feit. De A-G komt tot de slotsom dat de aansprakelijkstelling op de voet van artikel 32 lid 2 Invorderingswet 1990 van iemand voor een fiscale bestuurlijke boete, voor de toepassing van artikel 5:44 Awb op één lijn moet worden gesteld met het opleggen van een bestuurlijke boete aan die persoon. Dit betekent dat artikel 5:44 lid 1 Awb in de weg staat aan die aansprakelijkstelling als deze persoon al voor hetzelfde feit strafrechtelijk wordt vervolgd.

Voor de vraag of sprake is van hetzelfde feit, moet worden gekeken naar de juridische aard van de feiten en naar de aard van de gedragingen. De juridische aard van de feiten volgt uit de wettelijke delictsomschrijvingen. Bij de vergelijking van die delictsomschrijvingen is van belang of zij strekken tot bescherming van hetzelfde rechtsgoed en of dezelfde of vergelijkbare strafmaxima zijn gesteld. De A-G meent dat de strafbaarstelling van aangiftemisdrijven en de beboetbaarstelling van betalingsvergrijpen strekken tot bescherming van hetzelfde rechtsgoed, namelijk de bevordering van de juiste belastingheffing. Verder meent de A-G dat aan een vergelijking van de strafmaxima in het kader van artikel 5:44 Awb geen grote betekenis moet worden toegekend.

Bij de vergelijking van de aard van de gedragingen moet gekeken worden naar zowel de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. De aangifte en de betaling vinden doorgaans echter niet op hetzelfde moment plaats en hoeven ook niet de uitdrukking te zijn van één wilsbesluit. Daarom kan naar zijn opvatting niet een categorisch antwoord worden gegeven op de vraag of het opzettelijk doen van een te lage aangifte en het opzettelijk betalen conform die aangifte van een te laag bedrag, kunnen gelden als ‘hetzelfde feit’. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond te verklaren. De A-G is het met de staatssecretaris eens dat het er in deze zaak alle schijn van heeft dat het Hof over het hoofd zag dat de vergrijpboete op andere belastingtijdvakken zag (de tijdvakken van 2013) dan de belastingtijdvakken waarop de strafrechtelijke veroordeling zag (de tijdvakken van 2011 en 2012). Los daarvan overweegt de A-G dat van de feitenrechter, hier het hof, een nadere motivering mag worden verlangd wanneer deze rechter meent dat toch ‘hetzelfde feit’ is beboet of bestraft, wanneer zoals hier voor het aangiftemisdrijf strafrechtelijk is veroordeeld (en het betalingsvergrijp bestuurlijk is beboet.  De A-G adviseert de Hoge Raad het incidentele cassatieberoep van de staatssecretaris gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen. Wij houden het oordeel van de Hoge Raad hierover nauwlettend in de gaten.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2025:1399