In deze uitspraak zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 vernietigd omdat de inspecteur de verzending niet aannemelijk heeft gemaakt; latere aanslagen zijn wel geldig, maar het bezwaar daartegen is te laat ingediend. Verzoeken om ambtshalve vermindering zijn terecht niet behandeld.
De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdragen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, gelijktijdig met het in rekening brengen van belastingrente en het opleggen van verzuimboetes. De inspecteur heeft verzendadministraties overgelegd waaruit blijkt dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 met dagtekening 17 oktober 2018 op 9 oktober 2018 zijn aangeboden aan PostNL of Sandd. De rechtbank kan echter niet vaststellen aan welk postvervoerbedrijf de aanslagen daadwerkelijk zijn aangeboden. Daarmee is de verzending niet aannemelijk gemaakt. Nu de inspecteur geen tijdige bekendmaking heeft aangetoond, oordeelt de rechtbank dat de aanslagen niet binnen de wettelijke termijn van vijf jaar zijn opgelegd. De aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 worden daarom vernietigd. De vernietiging van de aanslagen brengt mee dat ook de boetebeschikking en de belastingrentebeschikkingen komen te vervallen.
De aanslagbiljetten met dagtekening 27 maart 2019 zijn op 21 maart 2019 aangeboden aan PostNL en verzonden naar het adres waarop belanghebbende vanaf 26 november 2018 stond geregistreerd in de BRP. De rechtbank acht deze verzending aannemelijk. Belanghebbende heeft geen tijdige adreswijziging doorgegeven, waardoor de inspecteur mocht uitgaan van het BRP-adres. De onjuiste adressering is daarom niet aan de Belastingdienst toe te rekenen. De aanslagen zijn op voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De bezwaartermijn liep tot 8 mei 2019. De bezwaren zijn te laat ingediend. Belanghebbende had zelf zorg moeten dragen voor correcte adresregistratie. De termijnoverschrijding komt voor zijn rekening en risico.
Aangezien de aanslagen 2016 worden vernietigd, behoeft de gestelde schending van het hoor- en inzagerecht geen verdere bespreking. Een proceskostenvergoeding is reeds toegekend.
De verzoeken om ambtshalve vermindering zijn ingediend na afloop van de vijfjaarstermijn. De inspecteur heeft deze verzoeken terecht niet behandeld. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij de verzoeken niet eerder had kunnen indienen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4352
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:4352
