Belanghebbende is een betaaldvoetbalorganisatie en biedt tegen vergoeding business seats aan waar thuiswedstrijden kunnen worden bijgewoond en gebruik kan worden gemaakt van catering.

Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om uitsluiting van aftrek van omzetbelasting te voorkomen (goedkeuring) door de cateringkosten afzonderlijk op de factuur te vermelden en de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ter zake van deze cateringkosten in aftrek te brengen. Belanghebbende heeft de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting met betrekking tot de cateringkosten echter wel in aftrek gebracht.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek is de inspecteur tot de conclusie gekomen dat belanghebbende ten onrechte aftrek van voorbelasting met betrekking tot de cateringkosten heeft geclaimd waardoor te weinig omzetbelasting is voldaan. Om die reden heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd, welke onder meer in geschil zijn.

Gelet op de brief van de inspecteur aan belanghebbende, de fiscale nieuwsbrief van de KNVB alsmede het feit dat belanghebbende in een eerder tijdvak gebruik heeft gemaakt van de goedkeuring, is de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende ten minste had moeten weten dat zij, indien zij niet handelde overeenkomstig de goedkeuring geen recht had op de geclaimde vooraftrek. Door de omzetbelasting van de cateringkosten desondanks in aftrek te brengen, is bij belanghebbende sprake van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. De inspecteur heeft derhalve terecht een vergrijpboete opgelegd ter zake van grove schuld.

Belanghebbende stelt naar het oordeel van de Rechtbank terecht dat het algemene uitgangspunt van de omzetbelasting is dat deze het consumptieve eindgebruik belast. Dat betekent echter niet dat belanghebbende in haar geval ervan uit mocht gaan dat zij recht op de geclaimde aftrek had. Belanghebbende mag immers geacht worden bekend te zijn met de jurisprudentie op dit punt. Het beroep op een pleitbaar standpunt faalt derhalve.

Gelet op de hoogte van de verschuldigde belasting, de ernst van de gedraging, de coƶperatieve opstelling van belanghebbende en het feit dat zij maatregelen heeft getroffen voor de toekomst, is de Rechtbank van oordeel dat een boete van 10% passend en geboden is. De Rechtbank vermindert de boetes verder in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:6939