In een recente conclusie van A-G Pauwels staat de vraag centraal of de zogenoemde nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (art. 45aa URIB 2001) – die eraan in de weg staat dat onherroepelijk vaststaande aanslagen worden verminderd op basis van latere rechtspraak – de toets van het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan.

De zaak speelt in het verlengde van het Kerstarrest en raakt daarmee direct aan de positie van de niet-bezwaarmakers in box 3. Aan de orde is of deze belastingplichtigen, van wie de aanslagen reeds onherroepelijk vaststonden ten tijde van het Kerstarrest, via de weg van de ambtshalve vermindering alsnog aanspraak kunnen maken op rechtsherstel, of dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering daaraan in de weg staat. Deze uitzondering houdt in dat geen ambtshalve vermindering wordt verleend indien de onjuistheid van de aanslag uitsluitend voortvloeit uit jurisprudentie die is gewezen nadat die aanslag onherroepelijk is geworden. Daarmee draait de zaak in essentie om de spanning tussen formele rechtskracht enerzijds en materiële rechtsbescherming na ingrijpende nieuwe rechtspraak anderzijds.

De A-G stelt voorop dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering een bewuste keuze van de wetgever weerspiegelt. Deze uitzondering beoogt, zo reconstrueert de A-G, een viertal belangen te dienen: het budgettaire belang, de uitvoerbaarheid, de rechtszekerheid en de symmetrie met het regime van navordering. Daarmee wordt het onthouden van rechtsherstel aan niet-bezwaarmakers geplaatst in een breder systeem van formele rechtskracht en finale geschilbeslechting.

Opvallend is dat de A-G deze belangen niet zozeer ontleent aan expliciet kenbare wetgevingsgeschiedenis, maar deze reconstrueert uit uiteenlopende bronnen. Daarmee rijst onmiddellijk de vraag in hoeverre hier daadwerkelijk sprake is van een door de wetgever gemaakte en kenbare belangenafweging. De A-G onderkent dit spanningsveld ook zelf en plaatst zijn benadering uitdrukkelijk in het kader van rechtseenheid en systematische uitleg.

Het zwaartepunt van de conclusie ligt bij de exceptieve toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. De A-G kiest hier voor een terughoudende benadering. De beslissing om geen ambtshalve vermindering toe te staan, kwalificeert hij als een politiek bestuurlijke keuze, die slechts beperkt vatbaar is voor rechterlijke toetsing. Binnen dat toetsingskader komt hij tot de conclusie dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet evident onevenredig is.

Daarbij speelt een belangrijke rol dat de belastingplichtige de mogelijkheid had tijdig bezwaar te maken. Het niet benutten van die mogelijkheid komt in beginsel voor eigen rekening en risico. De A-G introduceert in dit verband het criterium van de “pleitbare opvatting”: zolang de inspecteur op het moment van het onherroepelijk worden van de aanslag redelijkerwijs mocht menen dat zijn standpunt juist was, kan hij zich beroepen op de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering. Voor de periode voorafgaand aan het Kerstarrest acht de A-G dat het geval.

Deze benadering past binnen het klassieke uitgangspunt van formele rechtskracht, maar schuurt tegelijkertijd met de realiteit dat het box 3-stelsel achteraf bezien in strijd is geoordeeld met hoger recht: de formele rechtskracht prevaleert, ook indien de materiële uitkomst daarmee (later) onjuist blijkt.

Interessant is voorts de passage waarin de A-G ingaat op de rol van de belastingrechter bij de toetsing van wetgeving. De A-G acht het aanvaardbaar dat de rechter zelfstandig aanknopingspunten zoekt voor een belangenafweging, indien die in de wetgevingsgeschiedenis ontbreekt. Hij erkent echter dat deze benadering spanning oplevert met eerdere rechtspraak waarin juist werd benadrukt dat de wetgever die afweging expliciet moet maken. Daarmee raakt de conclusie aan een meer fundamentele vraag over de reikwijdte van rechterlijke toetsing: vult de rechter hier lacunes in de motivering van de wetgever, en zo ja, is dat wenselijk?

Daarnaast komt de A-G tot de conclusie dat ook art. 13 EVRM en art. 1 EP EVRM geen ander resultaat afdwingen. De enkele omstandigheid dat niet-bezwaarmakers geen rechtsherstel krijgen, acht hij niet strijdig met het vereiste van een effectief rechtsmiddel. Doorslaggevend is dat zij destijds de mogelijkheid hadden bezwaar te maken. Daarmee bevestigt de A-G dat het EVRM geen bescherming biedt tegen de gevolgen van het niet benutten van beschikbare rechtsmiddelen, zelfs niet in een situatie waarin het onderliggende wettelijke systeem later onrechtmatig blijkt.

Een meer praktische en mogelijk kansrijke invalshoek ziet de A-G in de gebrekkige communicatie rondom de massaalbezwaarprocedure. Hoewel dit aspect niet doorslaggevend is voor zijn juridische beoordeling, laat hij nadrukkelijk ruimte voor de Hoge Raad om dit element te betrekken bij de uiteindelijke beoordeling. Daarmee lijkt de A-G impliciet te erkennen dat juist op dit punt de zaak kan “breken”: niet zozeer op de formele systematiek, maar op de feitelijke toegankelijkheid van het rechtsmiddel.

Volgens de A-G betreft het een harde lijn: niet-bezwaarmakers hebben in beginsel geen recht op rechtsherstel via ambtshalve vermindering, ook niet na het Kerstarrest. Het is evenwel nog afwachten of de Hoge Raad de A-G hierin volgt. Wij houden de ontwikkelingen in ieder geval nauwlettend in de gaten.

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:463